Lijst Home


Vijf boeken genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs 2018

Geplaatst 22 feb. 2018 04:57 door susan *   [ 22 feb. 2018 04:57 bijgewerkt ]


De Woutertje Pieterse Prijs wordt jaarlijks toegekend aan het beste oorspronkelijk Nederlandstalige jeugd- of kinderboek uit het voorafgaande jaar. Een divers samengestelde jury kent de prijs toe. De jury bekroont kinderboeken die uitzonderlijk zijn voor wat betreft taal, genre, thema, illustratie, vorm en/of vormgeving. De prijs bestaat uit een oorkonde en een geldbedrag van 15.000 euro en wordt dit jaar financieel mogelijk gemaakt door De Versterking, het Lira Fonds, het Prins Bernhard Cultuurfonds en het Nederlands Letterenfonds.
Dit jaar bestaat de jury uit Noraly Beyer (voorzitter), Anne-Gine Goemans, Jen de Groeve,
Mirjam Noorduijn en Peter de Kan.





Op 21 februari 2018 maakte de jury de genomineerde boeken bekend. Wie bekroond wordt met de 31e Woutertje Pieterse Prijs  wordt op 5 april in Amsterdam bekend gemaakt.
Genomineerd zijn:

Annet Huizing en Margot Westermann (Uitgeverij Lemniscaat)
De jury:' Eindelijk wordt deze materie recht gedaan. Een standaardwerk,
voor jong en oud.

En toen, Sheherazade, en toen? van Imme Dros en Annemarie van Haeringen (Uitgeverij Leopold)
De jury: ' Dros en Van Haeringen vormen een uitstekende match in hun karakteristieke vertelling van deze sprookjes.

Lampje van Annet Schaap (Uitgeverij Querido Kinderboeken) 
De jury: ' Lief, mooi, klassiek en schrijnend verhaal, dat de jury hetzelfde plezier liet ervaren dat ze als kind hadden bij het lezen van een mooi boek.'

Onder mijn matras de erwt van Ted van Lieshout (Uitgeverij Leopold) 
De jury: 'Een weerbarstig boek, dat uitnodigt en uitdaagt met tekst-beeldcomposities die je niet loslaten.'

Wij waren hier eerst van Joukje Akveld (Uitgeverij Gottmer)
De jury: ' Bijzonder, persoonlijk en toch journalistiek boek, dat echt iets toevoegt aan de jeugdliteratuur.'

Alle boeken zijn besproken op kinderboekenpraatjes, klik op de titel voor de recensie.

Zo raar - Inger Hagerup

Geplaatst 21 feb. 2018 04:23 door susan *   [ 21 feb. 2018 04:35 bijgewerkt ]


Dit verhaal begint bij Bette Westera, of eigenlijk bij haar dochter die een jaar naar Noorwegen ging. Het leek Westera wel leuk zich ook in de Noorse taal te verdiepen en dat werd meer dan een kennismaking, Bette Westera studeerde een aantal jaren Noors aan de Universiteit van Amsterdam. Gewapend met een gedegen kennis van de Noorse taal ligt het voor de hand dat de succesvolle en veel bekroonde schrijfster van kinderpoëzie onderzocht met welke poëzie Noorse kinderen opgroeien. Dat bleek het werk van Inger Hagerup (1905-1985) te zijn. Wellicht klinkt deze naam bekend, haar kinderen (Klaus en Helge) en ook haar kleindochter Hilde zijn kinder-en jeugdboekenschrijvers waarvan een aantal boeken in het Nederlands zijn vertaald.
    Inger Hagerup wordt in de aanprijzing van dit boek vergeleken met Annie M.G.Schmidt, niet zozeer omdat Hagerups werk lijkt op dat van Schmidt, maar meer in de betekenis en waardering die beide kinderboekenschrijvers ten deel valt. Ook Hagerup brak (net als Schmidt) met de moralistische traditie en de gedragen toon van de kinderpoëzie uit de jaren vijftig en ook haar boeken worden zeer gewaardeerd. Het boek dat Westera vertaalde is samengesteld uit drie boeken, waarvan de eerste in 1950 uitkwam, de tweede in 1961 en de laatste in 1971. De gedichten uit de drie bundels hebben verschillende kwaliteiten.
    De eerste bundel bestaat voornamelijk uit korte grappige klankrijke versjes die vaak gaan over dieren. De versjes zijn beeldend en ritmisch. Westera maakte een vrije speelse vertaling waarbij ze de Noorse verwijzingen vervangt door Nederlandse:

‘Kevertje Kever, waar ga je naartoe?
Een oude bekende bezoeken in Stroe.

Kevertje Kever, hoe heet die bekende?
Schipper Jan Pieterszoon Koen van der Ende.' 
(...)  


Een enkel vers draait voornamelijk om de klanken en ook die heeft Westera prachtig vertaald: 

‘Onderwaterbomen suizen,
wieren wiegen heen en weer.
In de verte klinkt het ruisen
en het briesen en het bruisen
van de branding. Alle slakken
zuchten zachtjes: wát een weer!’
(...)


In de gedichten uit 1961 speelt de natuur een grote rol met gedichten over een bloeiende erwt, fluitenkruid, de wesp of piramidezenegroen. Dat kunnen grappige gedichten zijn, zoals het moppergedicht De krab waarin het dier zich beklaagt dat hij ‘geen vlees en geen vis’ is. Andere gedichten sluiten aan op de verschijningsvorm, zo vraagt het fluitenkruid zich af of hij een bloem of een parasol is en schets het piramidezenegroen een treffend zelfportret. Sommige gedichten hebben een dubbele lading, zoals het gedicht Het varken:

‘Het varken ligt in zijn varkenskot
te peinzen over zijn varkenslot. 

Iedere keer weer diezelfde vraag:
Gaat de vleesprijs omhoog
Of omlaag vandaag?’


In de gedichten uit 1971 breek Hagerup met de vertrouwde vorm. Er is geen sprake meer van rijmende zinnen, al is de  vrije versvorm nog altijd ritmisch. De inhoud is subtieler en derhalve zijn deze gedichten geschikter voor wat oudere kinderen. Neem bijvoorbeeld het gedicht De mier:

‘ Klein?
 Ik?
 Echt niet!
 Ik ben precies groot genoeg.
 Vul mezelf dubbel en dwars,
 van top tot teen.
 Ben jij soms groter
 dan jezelf?’


De illustraties zijn gemaakt door Paul René Gauguin, een kleinzoon van de beroemde Franse kunstenaar Paul Gauguin. Ze spelen een belangrijke rol in het boek. In de eerste bundel zijn de illustraties een vrolijke ondersteuning van de tekst, maar bij de latere bundels raken tekst en beeld steeds meer met elkaar verknoopt. Gauguins illustraties zijn meestal in zwart-wit met slechts een steunkleur. Allerlei elementen uit de gedichten zijn erop te zien, zoals theedrinkende kangoeroes, olifanten met zwarte wanten, de bezigheden van oom, tante, neef en nicht of een portret van Pennelientje Pennelotje en haar bijzondere neus. Bij de gedichten uit het laatste boek zijn tekst en beeld niet meer los van elkaar te zien, woord en beeld hebben zich vermengd.



Zo raar is een heerlijke rijke poëziebundel met leuke, grappige, mooie en serieuze gedichten die prachtig zijn vertaald. De illustraties van Paul René Gauguin zijn de kers op de taart.

Zo raar
Inger Hagerup (vertaald door Bette Westera) met illustraties van Paul René Gauguin 


Gottmer, 2018     € 14,99

Volle Muil - Tom Marien & Merlijne Marell

Geplaatst 19 feb. 2018 03:18 door susan *   [ 19 feb. 2018 03:30 bijgewerkt ]


Ruim twee jaar geleden stapte Merlijne Marell de kinderboekenwereld binnen met haar debuut Schobbejacques en de 7 geiten. Het was haar afstudeerwerk voor de masteropleiding illustratie. Het boek werd uitgegeven door de kleine uitgeverij Loopvis en kreeg drie indrukwekkende prijzen: het boek werd uitgeroepen tot het best verzorgde boek van 2015, het kreeg een Vlag en Wimpel van de Penseeljury en de illustraties werden geselecteerd voor een tentoonstelling tijdens de internationale kinderboekenbeurs in Bologna.
    Nu is er een tweede boek, Volle Muil, weer uitgeven door Loopvis. De tekst is deze keer niet van Marells hand. De Vlaamse jeugdboekenschrijver Tom Marien schreef het verhaal en debuteert daarmee als prentenboekenschrijver. Overigens is Volle Muil geen prentenboek voor kleuters, het is gemaakt voor kinderen vanaf een jaar of acht.
    Het verhaal wordt in weinig woorden verteld. Het speelt zich af in een door de maan verlichte nacht. Een jonge uil moet laten zien dat hij een waardige opvolger van zijn vader is. Hij moet ‘de maanvis’ vangen en hij mag het drie keer proberen. De druk is groot.
    Marien schrijft in beeldende taal. Zo spatten er duizenden druppels op, drijft de maan uit elkaar, plonst Kleine Uil als een doorgedraaide tol in het water en verslikt hij zich in een pluk eendenkroos. De spanning is te snijden; hij wordt uitgelachen als het niet lukt en zijn vader waarschuwt hem: ‘Laatste kans. Verknoei het en ik moet je uit het bos zetten.’
    Het beeldende taalgebruik zit Marell niet in de weg, zij vult de woorden aan met haar prachtige beelden. Ze schept met haar donkere kleurgebruik waarin zwart, donkerblauw, grijs, groen en geel domineren, een bijzondere sfeer. In de bomen zijn verschillende dieren te zien, maar het gaat natuurlijk om de uilen. Marell tekent adembenemend mooie uilen, van de beschaamde Kleine Uil vol viezigheid tot de indrukwekkende Wijze Uil. Prachtig is het achteraanzicht van vader en zoon waarin Marell subtiel hun liefde voor elkaar laat zien. Ook de acties vangt Marell in mooie beelden, bijvoorbeeld het moment dat Kleine Uil het water raakt, of de gevolgen van een harde klap.
    Dit boek is net als zijn voorganger zichtbaar met liefde gemaakt. Het heeft een aansprekende vormgeving, een mooie stevige kaft en de lezer krijgt naast een zestal ex-libris ook vijf plakplaatsjes aangeleverd om de kaft van het boek naar eigen inzicht de mooiste voorkant te geven.

Volle Muil is een prachtige uitgave met een verhaal over doorzetten en je angsten overwinnen. De illustraties van Marell zijn van een betoverende schoonheid.

Volle Muil
Tom Marien (tekst) met illustraties van Merlijne Marell 

Loopvis, 2018     € 16,95


Het museummysterie - Robin Stevens

Geplaatst 14 feb. 2018 05:50 door susan *   [ 14 feb. 2018 05:55 bijgewerkt ]


In 2007 overleed de Britse auteur Siobhan Dowd aan kanker, 47 jaar oud. Dowd was een succesvolle schrijfster van kinder-en jeugdboeken en veel van haar werk is ook in het Nederlands vertaald. Door haar voortijdige dood bleven er projecten en plannen liggen. Een van de doelstellingen van de Siobhan Dowd Trust is schrijvers te zoeken die haar werk kunnen afmaken. Zo werd Patrick Ness gevraagd een onaf verhaal van Dowd verder uit te werken en dat resulteerde in 2011 in het succesvolle boek A monster calls 
(in Nederland verschenen in 2013 onder de titels Zeven minuten na middernacht).
    In 2007 kwam Dowds laatste boek uit, Het reuzenradmysterie. Dowd had haar uitgever een vervolg beloofd met de titel The Guggenheim Mystery (in het Nederlands is dat Het Museummysterie geworden). Helaas kwam ze hier niet meer aan toe. In 2015 vroeg de Siobhan Dowd Trust of Robin Stevens alsnog dit boek zou willen schrijven.
    De succesvolle kinderboeken van Stevens zijn in Nederland niet bekend, maar in Engeland en de Verenigde Staten is haar serie Murder Most Unladylike populair. De serie gaat over kostschoolmeisjes die moorden oplossen. Het museummysterie vroeg echter niet alleen om een detectiveschrijfster, Stevens moest zich ook in kunnen leven in de bijzondere hoofdpersoon en verteller van het verhaal. Die hoofdpersoon is de twaalfjarige Ted die, zoals hij zelf zegt, ‘een ander besturingssysteem in zijn hersenen heeft dan de meeste mensen’. Als we er een diagnose op zouden willen plakken kunnen we hem een jongen met Asperger noemen.
    Het verhaal van Stevens begint drie maanden na het mysterie in Londen, waar Teds neef Salim in een cabine van het Londense reuzenrad stapte en daarna verdween. Door naar de feiten te kijken (iets waar Ted heel goed in is) en in samenwerking met zijn twee jaar oudere zus Kat werd de verdwijning opgelost. Inmiddels woont Salim met zijn moeder Gloria in New York. Gloria werkt als conservator in het Guggenheimmuseum en ze nodigt haar zuster, neef en nicht uit voor een bezoek. Als Gloria hen meeneemt naar het museum, dat op dat moment gesloten is omdat er een nieuwe tentoonstelling wordt ingericht, vindt er een diefstal plaats. Gloria wordt hiervoor gearresteerd, want alle aanwijzingen leiden naar haar. Tijd dus dat Ted en Kat weer als detectives aan de slag gaan, ditmaal met hulp van Salim.

Het bijzondere van het verhaal is zijn verteller. Ted beleeft de wereld anders dan de meeste mensen. Stevens zet dat, in tegenstelling tot Dowd, direct in de eerste alinea al stevig neer als ze Ted zichzelf laat beschrijven. Hij somt uitsluitend meetbare kwantiteiten op zoals zijn naam, leeftijd (op de dag), aantal vrienden (zeven) en het aantal leugens dat hij begaan heeft (negen). Ted vindt liegen moeilijk omdat hij niet goed weet wanneer het gepast is en ook kan hij de functie ervan moeilijk begrijpen. Stevens maakt de denkwereld van Ted ook toegankelijk door Ted dingen uit te laten leggen. Hij deelt bijvoorbeeld hoe hij geleerd heeft met beeldspraak en uitdrukkingen om te gaan. Ook deelt hij zijn overlevingsstrategieën, zo imiteert hij bewust gedrag omdat hij dan weet dat hij goed overkomt. Ted is geen gevoelloze jongen, hij wil meedoen en erbij horen; als hij denkt dat Kat en Salim hem buitensluiten wordt hij daar verdrietig van. Hij weet dat hij speciaal en anders is, maar ziet dit niet als verkeerd. Als Ted zijn omgeving als bedreigend ervaart raakt hij in paniek. 
    Teds familie houdt rekening met hem, maar passen zich niet helemaal aan. Zijn moeder neemt hem tenslotte mee naar een onbekende drukke stad, ook al kan Ted dit niet altijd hanteren. Ook voor zijn zus is de omgang met haar broer niet altijd makkelijk. Zij verwoordt dat  een keer als ze zich verontschuldigd dat ze boos op hem werd: ‘Weet je, het is gewoon niet zo makkelijk om familie van jou te zijn. Jij hebt het niet in de gaten, maar jij hebt gewoon steeds heel veel nodig. De hele tijd.’ Kat komt er overigens ook in het verhaal bekaaid af. Haar probleem wordt aangestipt en op onwaarschijnlijke wijze tussen neus en lippen opgelost.
     Stevens weet een genuanceerd beeld neer te zetten waarin Ted geen karikatuur is en zijn familie niet bestaat uit heiligen. Gelukkig drijft het verhaal niet alleen op zijn bijzondere verteller. Het heeft ook een aardig plot dat de lezer meeneemt naar verschillende plaatsen in New York.

Het museummysterie is een waardig vervolg op Dowds Het reuzenradmysterie. Ted schittert opnieuw als bijzondere verteller die door logisch redeneren, een beetje geluk en met hulp van zijn zus en neef zijn tantes onschuld weet te bewijzen. 

Het museummysterie
Robin Stevens (vertaald door Lidwien Biekmann) 

Van Goor, 2017     € 17,99

Eric Carle en Rupsje Nooitgenoeg

Geplaatst 12 feb. 2018 04:15 door susan *   [ 12 feb. 2018 04:32 bijgewerkt ]


Eric Carle (1929) was al veertig toen zijn carrière als prentenboekenmaker op stoom kwam. In 1969 verscheen zijn bestseller The Very Hungry Caterpillar, in het Nederlands vertaald als Rupsje Nooitgenoeg. Dit boek werd in 62 talen vertaald en er werden ruim 46 miljoen exemplaren van verkocht. Carle werd een vermogend man.
    Hoe anders zag zijn leven eruit toen hij in 1952 aankwam in Amerika met een goed gevuld portfolio en veertig dollar op zak. Carle is geboren in Amerika, in Syracuse New York, maar verhuisde met zijn ouders in 1935 naar Duitsland. Hij groeide daar op tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Carle had een hekel aan school, hij vond het saai. Zijn tekentalent werd er wel al vroeg ontdekt en aan zijn ouders werd gevraagd dit talent te koesteren. Dat deden ze graag, al was het maar omdat zijn vader zelf kunstenaar had willen worden. 
    Carle groeide op in een grauwe omgeving waarin kleur ontbrak; uit de steden waren de kleuren vervangen door grijs en bruin (om ze te camoufleren voor bommenwerpers) en ook in de kunst was het kleurgebruik niet spectaculair. Expressionisten en abstracte kunst waren door nazi’s bestempel als ‘entartete kunst’ en verboden. Toen een kunstleraar de jonge Carle heimelijk werk liet zien van Picasso en Matisse was hij geschokt, pas later op de kunstacademie in Stuttgart leerde hij dit werk waarderen. Deze ervaringen hebben veel invloed op Carle gehad en maakte hem tot een kunstenaar die uitsluitend kleurrijk werk maakt en nooit een saai kinderboek wil afleveren. 
    Toen Carle emigreerde naar Amerika vond hij werk in de reclamebusiness. Ook dat heeft zijn werk beïnvloed. Van een reclamemaker wordt verwacht dat hij met een aansprekend en niet al te complex beeld direct een boodschap kan overbrengen. Carle is daar een meester in. Hij kiest er meestal voor zijn onderwerp frontaal of in een zijaanzicht af te beelden, opvallende perspectiefkeuzes maakt hij zelden. Carle werkt met gekleurd papier dat hij over elkaar plakt en soms ook beschilderd. Kleine details brengt hij aan met krijt of inkt. 

In 1967 benadert Bill Martin Jr. Carle met de vraag of hij zijn kinderboek wil illustreren. Het boek spreekt Carle aan, vooral de eenvoud ervan. Samen maken ze Beertje bruin wat zie jij daar? Het wordt een zeer succesvol boek dat nog altijd te koop is. Een jaar later maakt Carle voor het eerst zelf een prentenboek: 1, 2, 3, ik tel de dieren die ik zie. In dit boek zien we al Carle’s handelsmerk: kinderboeken waarvan iets geleerd kan worden, zonder dat dit dwingend is. Over 1,2,3, ik tel de dieren die ik zie zegt Carle in een interview dat hij verwacht dat veel kinderen giraffen en nijlpaarden zullen gaan tellen, maar dat er ook kinderen zullen zijn, ‘de verhalenvertellers van morgen’, die meer oog hebben voor het kleine muisje dat door het boek wandelt; zij zullen zich afvragen wat het muisje te zeggen heeft.
    Een jaar later maakt Carle zijn meest succesvolle boek: Rupsje Nooitgenoeg. Het ontstond uit een stapel papier waar hij gaatjes in had gemaakt en hij bedacht daar een verhaal bij over een boekenworm. Het boek zou de titel A week with Willie Worm krijgen. Zijn uitgever adviseerde echter het verhaal een andere wending te geven omdat een groene worm als hoofdpersoon de lezer niet zou aanspreken. En zo werd de worm een rups en de rest is geschiedenis. 
    Het verhaal over de rups die zich gedurende een week door van alles en nog wat eet en uiteindelijk een prachtige vlinder wordt laat weer de combinatie zien van een leerrijk verhaal dat ook zonder leerdoelstellingen aantrekkelijk is om (voor) te lezen. Hoewel Carle dit niet bedacht bij het maken van het boek, denkt hij nu dat het enorme succes ook is toe te schrijven aan de onderliggende hoopvolle boodschap: ‘It’s a book of hope. That you, an insignificant, ugly little caterpillar can grow up and eventually unfold your talent, and fly into the world.’
    Rupsje Nooitgenoeg werd ook in Nederland een groot succes. De eerste druk verscheen in 1969. Wie boek het vertaalde en van 'The Very Hungry Caterpillar' 'Rupsje Nooitgenoeg' maakte is niet te achterhalen. De uitgever houdt het op ‘de teksten van Carle zijn hier binnen Gottmer vertaald’ en dus zullen we nooit weten wie verantwoordelijk is voor de toevoeging van een nieuw begrip aan de Woordenlijst Nederlandse Taal.

Carle maakte nog veel meer succesvolle prentenboeken, waaronder Wil jij mijn vriendje zijn (1971), Het lieveheersbeestje dat niet lief deed (1977), De spin die het te druk had (1984), De krekel die niet kon tsjirpen (1990) en Van top tot teen (1997). Ook dit zijn speelse boeken waar de lezer, als hij dat wil, iets van kan leren. Voorbeelden van Carle’s  speelse toevoegingen zijn gaten in de bladzijden, geluideffecten of een lampje.
    Het kinderboekenoeuvre van Carle bestaat inmiddels uit ruim zeventig boeken, waarvan er 145 miljoen wereldwijd werden verkocht. Inmiddels is ‘Mr. Picture writer’ Carle 88 en nog altijd aan het werk. 

Rupsje Nooitgenoeg
Eric Carle (vertaler onbekend)


Gottmer, 1969


Kerntitels Kinderboekenweek 2018

Geplaatst 9 feb. 2018 05:33 door susan *   [ 19 feb. 2018 03:21 bijgewerkt ]




Van 3 t/m 14 oktober is het Kinderboekenweek 2018 met als thema vriendschap: Kom erbij!

De 20 kerntitels sluiten aan op het thema van de Kinderboekenweek 2018 en staan centraal in het lesmateriaal voor scholen. De Kerntitels van de Kinderboekenweek zijn vanaf juni te bestellen via uw boekwinkel.

Groep 1 & 2

MAG IK MEEDOEN?
JOHN KELLY

JOHANNES DE PARKIET
MARK HAAYEMA

SNIP
CLAUDIA LAGERMANN

HET GEWELDIGE GROTE VRIENDJESBOEK
MARY HOFFMAN

VENTJE ZOEKT EEN VRIENDJE
TED VAN LIESHOUT

 

 

 

 

 

 

Groep 3 & 4

BLITZ!
RIAN VISSER

HUGO – EEN VRESELIJK ENG BEEST?
MIA NILSSON

HET ZAKMES
SJOERD KUYPER

WAT EEN VERHALEN! (BIL EN WIL)
RINDERT KROMHOUT

EEN VRIENDJE VOOR ALTIJD
EOIN COLFER

 

 

 

 

 

 

Groep 5 & 6

AMIGOS!
ANNEMARIE VAN DEN BRINK

DIKKE VIK EN VIEZE LIES WORDEN VRIENDEN
SUNNA BORGHUIS

EEN INDIAAN ALS JIJ EN IK
ERNA SASSEN

JOE BILJOEN
DAVID WALLIAMS

HOE MAAK IK EEN VRIEND
EVELIEN DE VLIEGER

 

 

 

 

 

 

Groep 7 & 8

DE GRONDEL & DE GARNAAL
GEERT-JAN ROEBERS

NEEM MIJN HAND
KATE DICAMILLO

NIET THUIS
JACQUES VRIENS

EVI, NICK EN IK
ANNA WOLTZ

IK BEN VINCENT EN IK BEN NIET BANG
ENNE KOENS

 

 

 

 

 

De jongen die met de dieren schaatste - Edward van de Vendel & Beorn Nijenhuis

Geplaatst 9 feb. 2018 03:40 door susan *   [ 9 feb. 2018 03:42 bijgewerkt ]


Toen ik het boek De jongen die met de dieren schaatste van Edward van de Vendel en Sanne te Loo voor het eerst in handen kreeg was het anders dan ik had verwacht. Het was kleiner, dunner, met weinig tekst en vol met tekeningen. 
Het boek gaat over Beorn Nijenhuis. Hij was een kind dat op een dag besloot dat hij schaatser zou worden, een schaatser die wint. Van de Vendel en Te Loo vertellen dat verhaal op een unieke wijze. Ze laten een aantal bepalende momenten uit het leven van Nijenhuis zien waarbij Van de Vendel in weinig goed gekozen woorden de essentie van dat moment weergeeft en Sanne te Loo de ervaring verbeeldt.
Het begint allemaal in Canada temidden van de overweldigende natuur die het huis omringt waar Nijenhuis opgroeit. Achter het huis is een meer en daar traint de achtjarige Beorn elke dag. Dat hij dat ondanks de kou met plezier doet vertelt Van de Vendel zo: ‘Uit Beorns mond komt damp. Hij zingt een liedje. Dat liedje gaat dwars door de damp heen.’ Het verlaten meer is eigenlijk het terrein van de dieren, zij zijn zijn toeschouwers en zij volgen de jongen zonder dat hij dat kan zien.
Als Beorn tien is schaatst hij zijn allereerste wedstrijd en wordt tweede. De teleurstelling is groot. Op de terugweg in de auto overweegt hij voor altijd te stoppen. ‘Maar dan- na een hele tijd- springen de kleuren terug.’ Beorn besluit dat hij een miljoen nieuwe races gaat racen en dan een miljoen keer overeind blijft, hij wordt een schaatser die nog harder traint en nog harder werkt. Hij wordt een schaatser die wint en op een dag zal hij deelnemen aan de Olympische spelen.
Beorn verhuist naar Nederland, traint daar en behaalt veel schaatssuccessen. Als hij eenentwintig is is hij sterk en snel genoeg om te starten op de Olympische Spelen. Op dit punt in het verhaal nemen de makers de lezer weer mee terug naar Canada, naar dat grote verlaten meer waar de achtjarige Beorn nog geen weet heeft van zijn toekomst. We zien de kleine en de grote Beorn naast elkaar, de een op het meer, de ander op het ijs tijdens zijn race op de Spelen. En de dieren kijken mee.

Het samenspel tussen de rake woorden van Van de Vendel en de sfeervolle tekeningen van Te Loo is prachtig. Jammer dat het boek op zo’n klein formaat is uitgegeven, want Te Loo’s werk zou nog beter tot zijn recht komen op prentenboekformaat. Te Loo tekent adembenemende landschappen en zet daar op overtuigende wijze dieren in, aanvankelijk verdekt en later duidelijk zichtbaar. Er zijn een aantal tekeningen met een bijzonder gekozen perspectief, zo zien we de jonge Beorn gedeeltelijk op de rug als hij over het weerspiegelende ijs gaat; je hoort de schaatsen bijna krassen. Of de tekeningen in de auto waar Beorn ernstig twijfelt aan zichzelf, daarin weet ze de sombere sfeer grandioos weer te geven. En dan zijn er nog de vele tekeningen waarin de diverse schaatsbewegingen levendig op papier zijn gekomen. Sanne te Loo heeft echt topwerk geleverd.

De poëtische taal van Edward van de Vendel in combinatie met de mooie tekeningen van Sanne te Loo maken deze biografie over een doorzetter die zijn droom waarmaakt heel bijzonder.

De jongen die met de dieren schaatste
Edward van de Vendel & Beorn Nijenhuis met illustraties van Sanne te Loo


Querido, 2018     € 15,99


Grote gevoelens- verhalen over psychologie - Janny van der Molen

Geplaatst 7 feb. 2018 03:09 door susan *   [ 7 feb. 2018 03:18 bijgewerkt ]


Janny van der Molen is een schrijfster met een missie. Haar boeken gaan over interessante mensen die andere kunnen inspireren. Zo besprak ze in haar boek Helden! biografieën van mensen die door hun moed en doorzettingsvermogen de wereld een stukje mooier maakten en in haar boek Geniaal! draaide het om mensen die met hun uitvindingen de wereld veranderden en daarmee beter maakten.
In 2014 schreef Van der Molen Grote gedachten- verhalen over filosofie. Grote gevoelens kunnen we als een vervolg hierop beschouwen. Deze keer gaat het echter niet over filosofie, maar over psychologie. Van der Molen beschrijft psychologie als ‘de studie die ons innerlijk leven en ons gedrag bestudeert’. Ze vindt het een belangrijk kennisgebied voor jongeren en pleit daarom voor psychologielessen op middelbare scholen. Van der Molen is geen psycholoog. Ze deed daarom uitgebreid onderzoek voor dit boek en liet zich adviseren door mensen uit het vak.

In Grote gevoelens kiest Van der Molen voor dezelfde vorm als in Grote gedachten. Centraal staat onderwijzer meneer Swart die op een middelbare school vijftienjarigen een semester psychologie geeft. Hij heeft zijn lessen gegroepeerd rond een aantal onderwerpen: autoriteit, geboortevolgorde, de nature-nurturediscussie, gender en seksualiteit, problemen en therapie, onthouden en vergeten en tot slot moed en veerkracht. De gekozen vorm leent zich goed om via vragen de lezer door de verschillende theorieën te leiden, er is altijd wel een leerling die de goede vraag daarvoor stelt. Ook leent de vorm zich om de besproken theorieën met het dagelijks leven te verbinden, door het privé-leven van een aantal leerlingen te koppelen aan de besproken stof.
Binnen dit raamwerk slaagt Van der Molen erin heel veel informatie te geven. Vaak laat ze zien waar theorieën vandaan komen en hoe ze zich ontwikkeld hebben. Daarbij komen grote namen langs, zoals Freud, Alzheimer, Jung, Locke, Milgram en Shapiro, maar er is ook aandacht voor minder bekende namen en recent onderzoek.
Meneer Swart heeft maar een klein klasje met tien leerlingen, drie daarvan volgt de lezer ook buiten de lesuren. Het zijn Jasper, Priya en Wouter. In Jaspers gezin zijn er problemen met zijn oudere broer die drugs gebruikt en wegloopt, Priya wordt thuis mishandeld en Wouter wil uit de kast komen en vertellen dat hij op jongens valt.
Van der Molen is goed in het logisch opbouwen van informatie. Ze maakt keuzes en houdt de lijn van haar verhaal in het oog. Hier en daar zijn er wel lastige passages die wat leesvaardigheid vragen, maar meneer Swart duikt altijd op de goede momenten op voor nog wat extra uitleg. Van der Molen is geen schrijfster die haar uitleg met humor aan de man brengt, de toon van haar boek is serieus (wat overigens niet hetzelfde als saai is.) 
Van der Molen gebruikt de gekozen vorm niet alleen om het verhaal richting te geven en te verdiepen, ze legt meneer Swart ook een aantal goede raadgevingen in de mond, bijvoorbeeld wat je wel en niet kunt doen als een ander problemen heeft. Zijn belangrijkste boodschap is ‘iedere mens is goed zoals hij is.’ 
De klas in het verhaal heeft duidelijk de functie de informatieoverdracht te ondersteunen. Het is een braaf klasje waarin iedereen actief deelneemt aan de lessen, eerlijk is en zeer begaan met elkaar; een unieke klas dus die in werkelijkheid waarschijnlijk niet bestaat.
De zorgvuldige opbouw van het boek spiegelt zich in de illustraties van Steef Liefting. Per hoofdstuk wordt een illustratie steeds verder opgebouwd en zo ontstaat uiteindelijk een mooie collage waarin de namen van de wetenschappers staan en tekeningen die verwijzen naar de besproken onderwerpen.

Grote gevoelens is een knap geschreven boek dat een uitgebreid en goed onderbouwd overzicht geeft van belangrijke thema’s uit de psychologie.

Grote gevoelens- verhalen over psychologie
Janny van der Molen met illustraties van Steef Liefting


Ploegsma, 2017     € 24,99

Andere boeken van Janny van der Molen op kinderboekenpraatjes:
Grote gedachten- verhalen over filosofie
Buiten is het oorlog- Anne Frank en haar wereld 

Die eland is van mij - Oliver Jeffers

Geplaatst 5 feb. 2018 04:59 door susan *   [ 5 feb. 2018 05:00 bijgewerkt ]


Het werk van Oliver Jeffers weet inmiddels de Nederlandstalige lezer te vinden: Vast, Een vriendje voor altijd, Een wereld vol verhalen en vooral De krijtjes staken en De groeten van de krijtjes (waarvoor Jeffers de illustraties maakte) worden goed verkocht. Genoeg reden dus om ook oud werk van Jeffers alsnog te vertalen. Zo werd vorig jaar De grote bomenrover uit 2008 uitgegeven en nu ligt er Die eland is van mij uit 2012.
Wilfred is de hoofdpersoon en hij heeft een eland. Die had hij niet altijd, maar toen de eland een poosje geleden bij hem kwam ‘WIST hij het gewoon, dat die eland van hem was.’ Hij noemt hem Marcel. Wilfred legt de eland uit aan welke regels hij zich moet houden om een goed huisdier te zijn. Er zijn regels waar de eland zich heel goed aan houdt, zoals regel 4: ‘niet te veel lawaai maken als Wilfred naar muziek luistert’ of regel 11: ’onderdak verschaffen als het regent.’ Maar van regel 7: ‘die kant oplopen waar Wilfred naartoe wil’, trekt de eland zich niet veel aan en ook regel 7, paragraaf b: ‘niet te ver van huis gaan’ is niet zijn sterkste punt. Daarom neemt Wilfred altijd touw mee waarmee hij de weg naar huis terug kan vinden.
Op een dag neemt Wilfred tijdens een lange wandeling met de eland de plannen door voor het komend jaar. En dan ontdekt hij plotseling iets verschrikkelijks: iemand anders denkt dat de eland van haar is.

Jeffers schrijft in heldere taal, die uitstekend vertaald is. De auteur speelt in dit prentenboek met vragen over eigendomsrecht, bijvoorbeeld de vraag of je iets kunt bezitten zonder de toestemming van anderen. Wilfred is ervan overtuigd dat de eland van hem is. Hij geeft hem een naam en legt hem regels op. Zelfs als de eland niet doet wat hij wil labelt Wilfred dit positief: ‘Het leek vaak of de eland helemaal niet luisterde, maar Wilfred wist dat het wel zo was.’ Het bewijs daarvoor ziet hij in de regels waar de eland zich wel aan houdt.
Wilfred is dan ook teleurgesteld en boos als de eland zich door een ander Rodrigo laat noemen, een appel aanneemt en niet met Wilfred mee wil gaan. De klap van het verraad komt hard aan en Wilfred rent het bos in. Daar raakt hij verstrikt in het touw dat hem de weg naar huis moet wijzen. Hulpeloos ligt hij in het bos waar het langzaam donker begint te worden. Terwijl hij de laatste mogelijkheden op bevrijding aan het wegstrepen is (we zien ze in een gedachtewolk voorbijkomen met daarin ook een camio van de Grote Bomenrover) komt de eland aanlopen en voert hij een perfecte regel 13 uit: ‘je baasje redden uit benarde situaties’. Toch is er iets veranderd en Wilfred wil misschien wel toegeven dat de eland nooit echt van hem geweest is. Op de laatste pagina zien we daar nogmaals de bevestiging van.
De spanning tussen de beleving van Wilfred en de eland zien we vooral op de illustraties. We zien de eland doen wat een eland zoal doet; het zijn de mensen (vooral Wilfed) die er betekenis aan geven. Zij geven de eland een naam, bedenken regels en hebben verwachtingen.
Jeffers koos ervoor het thema eigendomsrecht ook op een andere manier in zijn illustraties te verwerken. Als achtergrond gebruikt hij verschillende schilderijen van Alexander Dzigurski die hij combineert met zijn eigen werk. Daarmee roept hij onder andere de vraag op of je samen met een overleden schilder eigenaar kunt zijn van een illustratie in een prentenboek.

In Die eland is van mij stoeit Oliver Jeffers op vermakelijke wijze met de vraag wanneer je een dier als je eigendom mag beschouwen. Het is een grappig verhaal met een serieuze ondertoon.

Die eland is van mij
Oliver Jeffers (vertaald door Berd Ruttenberg)


Hoogland & Van Klaveren, 2017     € 14,50
 



Andere boeken van Oliver Jeffers op kinderboekenpraatjes:
Een wereld vol verhalen
Een vriendje voor altijd
De krijtjes staken 

De verbeelder verbeeld[t] - Anna Cecilia Koldeweij & Jos Koldeweij [red.]

Geplaatst 2 feb. 2018 04:55 door susan *   [ 2 feb. 2018 05:12 bijgewerkt ]


Op 3 november 2017 ging Saskia de Bodt met emeritaat als bijzonder hoogleraar Illustratie aan de Universiteit van Amsterdam. De dag van haar afscheid was een feestelijke dag met toespraken, lezingen en geschenken. Een bijzonder geschenk was een vervolg op De Bodts overzichtswerk De Verbeelders uit 2014. Het werd samengesteld door haar man en dochter, respectievelijk Jos Koldeweij (hoogleraar kunstgeschiedenis van de middeleeuwen) en Anna Cecilia Koldeweij (kunsthistorica). Zesendertig collega’s van De Bodt werd gevraagd een bijdrage te schrijven en ook tien illustratoren werden uitgenodigd speciaal voor het boek een illustratie te maken. Het centrale thema gaat over verbeelding en hoe de kunstenaar de werkelijkheid manipuleert en weergeeft. 

De bijdragen heel divers en nemen de lezer mee naar allerlei uithoeken van de kunst- en illustratiegeschiedenis. Een willekeurige greep uit de bonte inhoud: Eddy de Jongh schrijft over de zelfportretten van Peter Vos, Noor Hellmann schrijft over het werk van Siegfried Woldhek, Roman Koot belicht ‘de chroniqueur van Utrecht rond 1900’ Johannes Moesman, J.F. Heijbroek schrijft over de geschiedenis van uitgeverij S.L van Looy en Manfred Sellink schrijft over ‘Bar Party’, een litho van David Hockney die recent werd ontdekt.

Voor deze bespreking keek ik vooral naar de bijdragen die interessant zijn voor kinderboekenliefhebbers. Ook deze bijdragen zijn divers.
Gioia Smid schrijft over Fiep Westendorps tekeningen van Jip en Janneke; hoe ze ontstonden, hoe ze veranderden en waarom ze in de Verenigde Staten met afgrijzen bekeken worden.
Margreet van Wijk-Sluyterman beschrijft wat zij in de archieven van uitgever G.B. van Goor heeft gevonden over het productieproces van illustraties in kinderboeken uit de tweede helft van de 19e eeuw. Jeannette Koks bijdrage gaat over 'beroemde schilderijen in een kinderboek'. Ze beschrijft onder andere hoe afbeeldingen van beroemde schilderijen een nieuwe betekenis krijgen in een boek vol moraliserende verhalen.
Fia Dieteren beschrijft ‘de twijfel van Nellie van Kol’. Van Kol gaf kinderboeken uit en zij twijfelde of daar illustraties in moesten staan. Geïnspireerd door de theosofie was ze van mening dat een kind ‘een beeld in zijn gedachten’ moest vormen en dat gedetailleerde illustraties dat proces zouden kunnen verstoren. 
Mieke van der Wal schrijft over Jan Sluijters (1881-1951) en zijn streven dat zijn illustraties voor kinderboeken serieus werden genomen. Gieneke Arnolli schrijft over haar vader Jans Alef Arnolli (1919-1968) die de ondankbare opdracht aanvaarde om de illustraties van Cornelis Jetses in het populaire leesboek Buurkinderen te moderniseren. Albert Lemmens en Serge Stommels schrijven over ‘Het Russiche prentenboek in Nederland 1929-1931’, een hoofdstuk boordevol prachtige illustraties. Jos A.A.M. Biemans gaat in op het werk van Mance Post (wier talent overigens ontdekt werd door Simon Carmiggelt) en haar vriendschap met uitgever Reinold Kuipers, een van de directeuren van Querido en echtgenoot van de vermaarde Tine van Buul. En tot slot schreef Helma van Lierop-Debrauwer over Joke van Leeuwen en haar bijzondere samenspel tussen woord en beeld.

Ook tien illustratoren geven hun interpretatie van het gekozen thema en laten zien hoe verschillend verbeelding en verbeelden kan zijn. Annemarie van Haeringen laat een zebra opstijgen uit een inktpot, Wouter van Reek laat in stripvorm zien hoeveel keuzes een tekenaar heeft om ‘de werkelijkheid’ weer te geven, Kris Nauwelaerts maakte een collage en verwerkte daarin een portret van Saskia de Bodt en Ted van Lieshout zorgde voor passende schutbladen. Ook werk van Joke van Leeuwen, Harrie Geelen, Tom Eyzenbach, Dingenus van de Vrie, Philip Wiesman en Marlies Visser zijn in het boek opgenomen. De kaft is van de hand van Thé Tjong-Khing en laat direct zien wat het centrale thema van het boek is.

De verbeelder verbeeld [t] is een schitterend boek in vele opzichten. De artikelen zijn heel divers en van hoge kwaliteit. Het boek is schitterend uitgegeven en staat bomvol prachtig beeldmateriaal. Het is ongelooflijk dat dit prachtige boek voor deze prijs kan worden aangeboden.

De verbeelder verbeeld[t]
Anna Cecilia Koldeweij & Jos Koldeweij (red.) 

Vantilt, 2017     € 29,95


                    Kris Nauwelaerts, Geen woorden maar beelden, 2017


1-10 of 1299