Lijst Home‎ > ‎

Het grote overblijfboek

Geplaatst 12 apr. 2011 06:19 door susan *   [ 25 apr. 2011 06:06 bijgewerkt ]
Het grote overblijfboek
zwerft al een tijdje rond op mijn bureau, want er valt heel wat in te lezen. Het boek is speciaal gemaakt voor mensen die werkzaam zijn in de tussenschoolse opvang (tso) en buitenschoolse opvang (bso).

In de inleiding worden de uitgangspunten van het boek toegelicht. Het is gemaakt vanuit een bepaalde pedagogische visie die rust op het gedachtegoed van Linda Kavelin Popov en bekend is geworden onder de naam ´Het deugdenproject´. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat ieder mens innerlijke kwaliteiten heeft die wereldwijd gewaardeerd worden, bijvoorbeeld vriendelijkheid, geduld of betrouwbaarheid. Aanhangers van deze theorie bekwamen zich in vijf strategieën en het spreken van ´deugentaal´ is daar één van. Als je deze taal spreekt dan benoem je voor het kind welke deugd het laat zien, of niet laat zien. Bij dat laatste is het de bedoeling niet negatief te formuleren, dus niet: ´jij bent onvriendelijk´, maar positief ´we zijn vriendelijk voor elkaar´.
Naast dit gedachtegoed gaat de auteur ervan uit dat de groepsleiding verantwoordelijk is voor het scheppen van een ontspannen en veilige sfeer en dat overblijftijd vrije tijd is, waarin even niet van alles moet.
Het boek is opgebouwd als een jaarboek, voor elke dag is er een bladzijde met een verhaaltje, een tip voor de groepsleidster en er wordt een activiteit beschreven die meestal aansluit bij het verhaal.
De doelgroep waarvoor het boek is gemaakt zijn groepsleiders die werken met kinderen uit groep 1 t/m 3, dus kinderen van vier t/m zeven jaar.

Laat ik beginnen met de verhaaltjes uit het boek. Er zijn drie verhalenseries, enkele losse verhalen en het boek sluit af met een voorleesboek.
Er zijn een aantal problemen met de voorleesverhalen. Van de series wordt gezegd dat de verhalen goed afzonderlijk van elkaar gelezen kunnen worden, maar dat is niet altijd het geval, de spanning wordt ook wel eens in meerdere verhalen opgebouwd en je zal maar net niet op de tso zijn als de clou wordt verteld.
De losse verhalen zijn ontleend aan prentenboeken. Soms blijft het verhaal goed overeind in deze voorleesvorm, maar het gaat ook wel eens mis omdat de ondersteuning van de illustraties is weggevallen. Zo blijft in het verhaal Paultje maakt ruzie onduidelijk dat Klaasje een knuffel is.
Het grootste probleem met de verhalen, en niet alleen daarvoor, is de leeftijdsafstemming. Het is heel moeilijk voor deze uiteenlopende leeftijden verhalen te vinden die ze allemaal aanspreken. Een vierjarige, die er ook nog eens een vermoeiende ochtend op school heeft opzitten, wil iets heel makkelijks aanhoren, een ´duim-in-de-mond´ verhaaltje. Vier/vijf jarige luisteren graag naar vertrouwde verhaaltjes en genieten van herhalingen. De oudere kinderen, de zes/zeven jarige willen juist meer spanning, iets nieuws en kunnen een vervolgverhaal goed aan. Met de opzet van dit boek doe je altijd kinderen tekort.
Mijn tweede probleem met de voorleesverhalen is de wens dat kinderen er ook iets van moeten leren; bij ieder verhaal staan vragen die de groepsleiding met de kinderen kan bespreken. Waar is hier het uitgangspunt gebleven dat overblijftijd vrije tijd is?
Het voorleesboek Rombertus, waarmee het jaar wordt afgesloten is niet geschikt voor vier/vijfjarige. Toch jammer dat zij dan tijdens de voorleestijd twee weken lang niet aan hun trekken komen.

Positiever ben ik over de ´samen spelen´ tips. Hier zijn veel spelletjes, zowel voor binnen als voor buiten, samen gebracht die meestal voor alle leeftijden leuk zijn. De spelideeën sluiten aan bij het verhaaltje van de dag.

De ´tip voor vandaag´ geeft de groepsleiding handvatten voor het werken in de tso. Er zijn uitstekende tips bij en er zijn er ook bij waar ik mijn vraagtekens bij zet. Meestal hangen die vraagtekens samen met de moeite die ik heb met het gedachtegoed waaraan de pedagogische visie is ontleend. Geen zinnig mens zal erop tegen zijn kinderen veel complimenten te geven en positief te benaderen, maar het opgelegde en in mijn ogen kunstmatige focussen op deugen staat mij tegen. Een bepaalde deugd wordt in het boek ook een tijdje centraal gesteld, de verhaaltjes gaan erover, evenals de spelletjes en de gesprekjes. Het kind moet op zoek naar´de schatten in zichzelf´ en reflecteren, nadenken over jezelf dus, over zijn gedrag. Dat is een onmogelijke vraag voor jonge kinderen. Kleuters leren gedrag door nabootsing en nog niet door erover na te denken, dat gaan kinderen pas echt doen rond hun negende jaar om het tot een kunst te verheffen in de puberteit. Jonge kinderen willen volwassenen echter graag ter wille zijn en zullen hun uiterste best doen toch zoveel mogelijk te doen wat blijkbaar van hen verwacht wordt. Het vereist een kundig oog om te zien waar het kind zich aanpast om aardig gevonden te worden en waar het kind groeit in zijn eigenheid. Mijn voorkeur zou het hebben dat groepsleiding zich eerst goed verdiept in de ontwikkelingspsychologie en de toepassing daarvan. Het goed toepassen van de uitgangspunten van het deugdenproject vraagt allereerst reflectie van volwassenen.

Voor een boek dat bedoeld is om elke dag ter hand te nemen is het niet mooi uitgegeven. Met de slappe kaft zal het er al snel lelijk uit zien en daardoor minder aantrekkelijk zijn om uit voor te lezen.

Moet Het grote overblijfboek dan maar genegeerd worden? Zeker niet, er is veel uit te halen voor ieder die werkzaam is bij de tso of bso. Er kan een keuze uit de verhalen gemaakt worden die aansluiten bij de eigen groep. De tips kunnen gelezen worden en op hun merites worden beoordeeld. Er zijn echt praktische en goede tips bij en de spelideeën zijn een bron van inspiratie. Het boek verdient een plaatje in tso´s en bso´s maar ik hoop van harte dat de gebruikers zich niet in het opgelegde stramien wringen.

Het grote overblijfboek
Hieke van der Werff
 
De Vier Windstreken, 2011     € 24,95