Lijst Home‎ > ‎

Waarom je kinderboeken moet lezen zelfs al ben je oud en wijs - Katherine Rundell

Geplaatst 6 jul. 2020 03:40 door susan *   [ 14 jul. 2020 02:36 bijgewerkt ]


Het vijfjarig bestaan van het kinder-en jeugdboekenfonds van uitgeverij Luitingh-Sijthoff werd extra luister bijgezet met een essay van een van de schrijfsters uit hun fonds, de Engelse Katherine Rundell. Met een uitgebreid voorwoord van kinderboekenambassadeur Manon Sikkel. De titel van het essay: Waarom je kinderboeken moet lezen zelfs al ben je oud en wijs.

Natuurlijk kies je voor een essay een prikkelende titel en dat verklaart waarschijnlijk de keus voor het woord moeten. Ik vind het geen gelukkige keuze omdat het literatuur voor kinderen en literatuur voor volwassenen tegenover elkaar zet. Dit botst met wat de schrijfster in verschillende bewoordingen wil overdragen, namelijk dat kinderliteratuur niet perse kinderachtig is.
In het essay bespreekt Rundell verschillende onderwerpen en neemt daarbij ook enkele zijpaden die niet direct met de vraagstelling te maken hebben, zoals een oproep tot meer diversiteit in kinderboeken en kritiek op het (Engelse) overheidsbeleid ten aanzien van bibliotheken.
Rundell onderbouwt haar stelling met een aantal uitspraken die soms erg kort door de bocht zijn of niet waar. Daarbij veralgemeniseert de schrijfster waar het haar uitkomt of ze belicht slechts een kant, waar ook een andere kant benoemd moet worden.
Ik noem er een aantal:

Wie voor kinderen schrijft probeert die voor het verdere leven te bewapenen met alles wat ze aan waarheid kunnen vinden.’

Als je ontzag, honger en verlangen naar gerechtigheid wilt voelen wend je je tot fictie voor kinderen: om het oude strijdrosenhart weer vurig te laten stampen in zijn box.’ 

We hebben boeken nodig die speciaal geschreven zijn om de verbeelding te voeden, die hart en geest een gigantische oplawaai verkopen: kinderboeken.’ 

Rundell gaat voorbij aan het feit dat (kinder)literatuur ook het ‘strijdrossenhart’ vurig kan laten stampen voor het gedachtegoed van bijvoorbeeld een totalitair regime. Literatuur is namelijk nooit waardevrij en altijd een afspiegeling van de tijd waarin het is geschreven. Kinderliteratuur wordt al eeuwenlang aangewend om waarden en normen over te brengen en dat deden bijvoorbeeld ook de nazi’s.
Eveneens is het een dubieuze uitspraak dat verbeeldingskracht is voorbehouden aan de kinderliteratuur. Je kunt geen fictie lezen als je geen verbeeldingskracht hebt, iedere schrijver vraagt aan zijn lezer om de dagelijkse realiteit te verlaten en mee op reis te gaan in het verhaal dat voor ligt. En ook in literatuur voor volwassen zijn veel smaken, van wegdroomromannetjes tot doorwrochte maatschappelijke analyses verpakt in een gelaagd verhaal.

Rundell besteedt in haar essay ook aandacht aan de geschiedenis van de jeugdliteratuur. Zij beschrijft natuurlijk de Engelse situatie en geeft voorbeelden uit de Engelse kinderliteratuur, maar de grote lijn van haar verhaal gaat ook op voor de Nederlandse situatie. Ook hier valt op dat ze algemene uitspraken doet waar wel wat op af te dingen is. Bijvoorbeeld de uitspraak ‘Sprookjes roepen angst op om ons te vertellen dat we niet zo bang hoeven zijn.’ 
Sprookjes wortelen in een orale traditie waarin door middel van verhalen levenswijsheden en waarschuwingen worden doorgegeven, waarvan een deel universeel is en een ander deel plaatsgebonden. Lang niet alle sprookjes waren bedoeld om ‘ons te vertellen dat we niet zo bang hoeven zijn’, integendeel. Nog altijd liegen de waarschuwingen voor de booswichten uit de sprookjes er niet om (Rundell geeft daarvan een aantal voorbeelden), maar ook de held van het verhaal moet in de oorspronkelijke versies vaak een hoge prijs voor een misstap betalen. Roodkapje bijvoorbeeld die van het rechte pad raakt en met de wolf het bed deelt (ja, in de oude versies hebben ze seks) en vervolgens verslonden wordt. Van een jager die Roodkapje komt bevrijden was geen sprake.

Rundell besteedt ook aandacht aan de klassiekers die in de negentiende eeuw, de ‘Gouden Eeuw van de Engelse kinderliteratuur’, werden geschreven. Ze noemt onder andere Alice in Wonderland van Lewis Carroll en Peter Pan van J.M. Barrie. Jammer dat ze de inhoud niet verbindt met de historische context en het toen heersende Victoriaanse romantische beeld van kinderen. In deze tijd werd het ‘onbedorven kind’ op een voetstuk gezet, dat wil zeggen dat het idee heerste dat kinderen in principe goed waren en met de juiste opvoeding ook goede mensen zouden blijven. Het zijn slechte volwassenen die een gevaar vormen voor de tere kinderziel. Alice is een voorbeeld van een welopgevoed meisje dat altijd beleeft blijft, hoe absurd de ontmoetingen die ze heeft ook verlopen. Zij is het personage waaraan de lezer zich moet spiegelen en waar het van kan leren.
Ook Peter Pan draagt deze denkbeelden uit. Peter Pan, die geen opvoeding krijgt, besluit nooit tot de wereld van de volwassenen toe te treden. Wendy echter, die een keurige Victoriaanse opvoeding krijgt, durft deze hobbel wel te nemen. Zij zal zich verder ontwikkelen en zelfs moeder worden, een voorbeeld dus voor Victoriaanse meisjes. Omdat Rundell voorbij gaat aan de achtergrond waarin deze verhalen groot werden gaat zij ook voorbij aan de vraag wat deze boeken hedendaagse kinderen en volwassenen te bieden hebben.

Katherine Rundell roept volwassenen op zich niet te schamen voor het lezen van kinderboeken, maar haar rechtvaardiging daarvan overtuigt mij niet, al is haar boodschap zeker sympathiek. Rundell lijkt te worstelen met een tegenstelling die er mijns inziens niet is. Wat literatuur voor volwassen leuk, boeiend, grappig of vervelend maakt geldt ook voor kinder- en jeugdboeken. Dus, lees als je daar zin in hebt een kinderboek, dat zal zeker geen afbreuk doen aan je verstandelijk vermogen of je wijsheid. Kijk nooit op kinderliteratuur neer, want daar is geen enkele grond voor.

Waarom je kinderboeken moet lezen zelfs al ben je oud en wijs
Katherine Rundell 

Luitingh-Sijthoff, 2020