lijst Klassiekers


De tovenaar van Oz - L. Frank Baum

Geplaatst 14 nov. 2019 04:36 door susan *   [ 14 nov. 2019 04:37 bijgewerkt ]


Het is al meer dan een eeuw geleden, om precies te zijn in 1900, dat L. Frank Baum zijn beroemde boek The Wonderful Wizard of Oz schreef. Baum, die een hekel aan zijn voornaam Lyman had en daarom zijn naam afkortte, had al eerder een succesvol kinderboek geschreven, maar het was dit tweede boek dat hem schatrijk maakte. Hij melkte het succes zorgvuldig uit en schreef dertien vervolgdelen. Wat zeker heeft bijgedragen aan de klassieke status van The Wonderful Wizard of Oz zijn de verfilmingen uit 1939 met Judy Garland in de hoofdrol en de verfilming uit 1978 met Diana Ros als Dorethy en Michael Jackson als de vogelverschrikker.
Jeugdboekenschrijver Margaretha van Andel, die de laatste tijd ook veel vertaald, maakte een bewerking van deze klassieker. Ze paste de avonturen wat aan om meer variatie in het verhaal te brengen en ze werkte de ontknoping van het verhaal nadrukkelijker uit. In een nawoord licht ze haar aanpassingen toe.

De tovenaar van Oz is het verhaal van Dorethy, in deze versie heet ze Doortje, die tijdens een tornado met huis en hondje uit Kansas weggeblazen wordt en landt in Oz, bovenop een kwaadaardige heks die dat niet overleeft. Doortje krijgt haar zilveren schoenen.
Niemand in Oz weet hoe ze weer thuis kan komen. Wellicht kan de grote tovenaar van Oz die in de Stad van Smaragd woont haar helpen. Als ze de gele stenen weg volgt komt ze vanzelf in de stad uit.
Onderweg pikt Doortje drie reisgezellen op die de grote tovenaar ook om een gunst willen vragen: een vogelverschrikker wil graag hersenen, een blikken boswachter wil een hart en een leeuw wil graag moedig zijn. De weg naar de stad is gevaarlijk en de reizigers maken verschillende avonturen mee. Als ze uiteindelijk de groene stad bereiken wil de tovenaar Doortje en haar vrienden alleen helpen als ze de boze heks van de West verslaan en dat blijkt geen makkelijke opdracht.

Van Andel heeft een fijne bewerking van het verhaal gemaakt. De kern wordt recht gedaan en alle bekende scenes staan erin. Van Andel geeft de lezer alle ruimte de tekst naar eigen inzicht te interpreteren. Duidelijk wordt wel dat het gebruik van je verstand, een warm hart en heldenmoed belangrijke kwaliteiten zijn. De personages wegen deze kwaliteiten tegen elkaar af en kiezen daarin waar ze zelf het meeste waarde aan hechten. Aan het einde van de reis krijgen de vogelverschrikker, de blikken boswachter en de leeuw wat ze het liefste willen, maar dan is voor de lezer al lang duidelijk dat ze de tovenaar daarvoor helemaal niet nodig hebben.
Over de diepere betekenis van het verhaal is overigens veel geschreven. Zo zou het verhaal een aanklacht zijn tegen het Amerikaanse financiële beleid, of het zou een parabel zijn op het christelijk geloof, het atheïsme of het feminisme.
Van Andels schrijverstalent komt in deze bewerking goed uit de verf, wellicht omdat ze niet letterlijk hoefde te vertalen. Waar eerdere vertalingen soms wat stroef zijn, is ze nu op haar best. Het taalgebruik is losjes en eigentijds. Ze gebruikt bijvoorbeeld woorden als ‘prutser’ of ‘opzouten’, zonder de sprookjesachtige sfeer geweld aan te doen. 

Deze nieuwe uitgave ziet er prachtig uit. Het boek heeft een groot formaat en heeft een linnen boekband. De illustraties van Marieke Nelisssen maken het af. Haar prachtige tekeningen, in kleur en zwart-wit, nodigen uit om vaak te bekijken en bij weg te dromen. Ook Nelissen licht in een nawoord haar werkwijze en keuzes toe.
Een leuk extraatje bij deze klassieker is een fictief interview met L. Frank Baum dat gebaseerd is op bestaande stukken.

Deze bewerking van De tovenaar van Oz is zeer geslaagd.

De tovenaar van Oz
L. Frank Baum, herverteld door Margaretha van Andel met illustraties van Marieke Nelissen


Lemniscaat, 2019

Het fluwelen konijn - Margery Williams

Geplaatst 11 nov. 2019 04:10 door susan *   [ 11 nov. 2019 04:10 bijgewerkt ]


Het fluwelen konijn van Margery Williams is in Engeland en Amerika een klassieker. Williams schreef het boek in 1922 en in de jaren zeventig werd het in het Nederlands vertaald. Deze Nederlandse uitgave is lange tijd niet leverbaar geweest en was tweedehands zeer gezocht. Maar nu is het boek er weer, in een frisse vertaling en met nieuwe illustraties. 

Het fluwelen konijn is een speelgoedkonijn dat als kerstcadeau aan ‘de jongen’ wordt gegeven. De jongen heeft aanvankelijk weinig oog voor zijn nieuwe knuffel en het verlegen konijn brengt zijn dagen door in de speelgoedkast waar het moderne speelgoed op hem op hem neerkijkt. Alleen een kaal oud paard dat al heel lang in de kinderkamer woont is aardig tegen hem. Het fluwelen konijn vraagt het paard of de speeltjes die je op kunt winden meer Echt zijn dan hij? Het paard antwoordt dat Echt niets te maken heeft met hoe je bent gemaakt. Het is iets dat je overkomt. ‘Als een kind heel, heel lang van je houdt, niet alleen om mee te spelen, maar écht van je houdt, dan word je Echt.’ 
Op een dag haalt het kindermeisje het konijn uit de kast en geeft hem aan de jongen. De jongen wordt dol op hem en samen spelen ze urenlang binnen en buiten. Het konijn gaat er smoezelig uitzien, maar de jongen vindt hem nog altijd mooi. Op een dag wordt de jongen ziek en ligt met hoge koorts in bed. Het konijn houdt zich schuil tussen de dekens en fluistert de jongen toekomstige avonturen in zijn oor. Als de jongen opknapt moet hij aansterken aan zee. Het fluwelen konijn mag niet mee, hij zal verbrand worden omdat hij onder de ziektekiemen zit. De jongen krijgt een nieuw konijn en hij is te opgewonden over zijn aanstaande reis om zijn oude konijn te missen. 
Als het fluwelen konijn in een hoek van de tuin wacht op het einde huilt hij een echte traan. Dan gebeurt er een wonder. Het elfje van de kinderkamer verschijnt en zij maakt van het fluwelen konijn een echt konijn. Nu is hij niet alleen meer Echt voor de jongen, hij is nu Echt voor iedereen. Nog een keer ziet hij de jongen terug, die hem bijna herkent. 

Margery Williams schreef ongeveer 25 boeken, voornamelijk kinderboeken en wat we nu Young Adult noemen. De schrijfster, geboren in Engeland, verloor op zevenjarige leeftijd haar vader. Deze gebeurtenis lijkt een bepalende rol in haar boeken te spelen waarin altijd een melancholische ondertoon zit en waarin verdriet en dood vaak een rol spelen. Zo ook in Het fluwelen konijn, waarin het konijn naast vreugde ook eenzaamheid ervaart en de dood in de ogen ziet. Williams was van mening dat verdriet louterend is en dat de mens groeit door pijn en tegenspoed te ervaren. 
Het fluwelen konijn is een prentenboek met een boodschap, een boodschap dat liefde je ‘echt’ maakt. Als er iemand van je houdt lacht het leven je toe en maakt het niet langer uit hoe je eruitziet. Je zou zelfs kunnen stellen dat de schrijfster in haar beeldtaal laat zien dat echte liefde je blijvend verrijkt, zelfs als je het verliest. Het intense verdriet van het konijn wekt magie op en is het begin van een nieuwe periode. Van de fee krijgt hij echte pootjes en daarmee kan hij zelfstandig zijn weg bepalen en vindt hij nieuw geluk. 
Het valt niet te ontkennen dat het verhaal ook wat nare kantjes heeft, vooral aan het einde waar de jongen zijn geliefde en trouwe konijn wel heel makkelijk inruilt voor een nieuwe. Misschien wilde de schrijfster om haar verhaal goed te kunnen vertellen niet te lang stil staan bij het verdriet van de jongen. 

De eerste uitgave van het boek werd geïllustreerd door William Nicholson en met deze illustraties verscheen het verhaal ook in Nederland. Inmiddels is Het fluwelen konijn door vele anderen vorm gegeven. Diverse illustratoren maakten hun interpretatie en het verhaal werd ook verfilmd en bewerkt voor het toneel. 
Deze uitgave is geïllustreerd door Sarah Massini. Op haar Facebookpagina beschrijft ze hoe ze heeft gezocht naar het juiste uiterlijk van het konijn. Ze koos uiteindelijk voor een traditionele vorm. Het zijn warme toegankelijk illustraties geworden. 

Het indringende en bijzondere verhaal over het fluwelen konijn dat Echt wordt is eindelijk weer in een mooie Nederlandse uitgave verkrijgbaar, klaar om opnieuw een onuitwisbare indruk te maken. 

Het fluwelen konijn 
Margery Williams, vertaald door Anita van Binsbergen met illustraties van Sarah Massini 


Gottmer, 2019

De club van lelijke kinderen - Koos Meinderts

Geplaatst 12 sep. 2019 04:24 door susan *   [ 12 sep. 2019 04:24 bijgewerkt ]


De club van lelijke kinderen is het meest gelezen boek uit het veelzijdige oeuvre van Koos Meinderts. Hij schreef het in 1987 en het is inmiddels toe aan zijn twaalfde druk. In oktober komt een verfilming naar dit verhaal in de bioscoop. Het is een boek met een duidelijke politieke boodschap die Meinderts onderstreept door voor in het boek een citaat uit een gedicht van Remco Campert op te nemen:

…jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen’

In 1987 werd dit niet erg gewaardeerd, het boek kreeg een matige ontvangst in de pers waar het werd gekwalificeerd als ongeloofwaardig en als ‘op hol geslagen onzin’. Kinderjury’s waren positiever en de tijd heeft geleerd dat zij het gelijk aan hun kant hadden. Tienduizenden exemplaren van dit boek vonden hun weg naar de lezer, er volgde een toneelbewerking, een musical, een prequel (op de televisie) en over enkele weken komt dus de avondvullende bioscoopfilm uit.

Het verhaal gaat over de actie van Generaal Isimo om het land te ontdoen van alle lelijke kinderen. Hij pakt dat zorgvuldig aan, er komt geen geweld bij kijken. Als de lelijke kinderen worden afgevoerd lijkt het een plezierreisje en als de generaal de achterblijvers verzekert dat hij enkel goede bedoelingen heeft en in het belang van de lelijke kinderen handelt, lijkt iedereen tevreden.
De operatie verloopt echter niet vlekkeloos. Een aantal kinderen weet te ontsnappen, waaronder Paul en Ellen. Zij vinden een veilig onderduikadres en zij raken betrokken bij de protesten tegen de maatregelen. Ondertussen begint Pauls moeder ernstig te twijfelen aan de goede bedoelingen van de generaal, zij wil weten waar haar zoon is.

Meinderts heeft een spannend verhaal geschreven dat raakt aan actuele thema’s. Hij laat goed zien hoe het uitsluiten van een deel van de bevolking succesvol kan worden uitgevoerd en welke rol de media daarin kunnen spelen. Meinderts laat ook zien dat verzet daartegen mogelijk is en zin heeft.
Meinderts vertelt het verhaal vanuit verschillende perspectieven. Zo kunnen we in de hoofden van onder andere de generaal, Paul, zijn zusje en zijn moeder naar de situatie kijken. De lezer krijgt op die manier zicht op verschillende motieven, strategieën en ook op de emoties die een rol spelen. Pauls moeder bijvoorbeeld denkt aanvankelijk dat de generaal het goede met iedereen voor heeft omdat haar overleden echtgenoot vertrouwen had in de nieuwe machthebber. Het is haar dochter die haar aan het twijfelen brengt met haar kritische vragen.
De lezer krijgt ook inzicht in de aanpak van de generaal. Er wordt verteld hoe hij aan de macht kwam met de beloofde dat hij de chaos in het land ('angst, verveling, alsmede hondenpoep') belooft op te lossen. Om zijn maatregelen te kunnen betalen sluit hij de musea en verkoopt de kunst aan het buitenland want ‘er komt toch geen hond naar kijken en wie van kunst houdt, kan altijd nog in het buitenland naar het museum.’ De uitvoering van het verwijderen van lelijke kinderen uit de samenleving volgen we ook vanuit zijn gezichtspunt en daarbij wordt duidelijk hoe zorgvuldig hij deze actie heeft doordacht.
Dat kunnen kijken in het hoofd van de ander kan alleen in een boek en is een grote verrijking van het verhaal. De film zal vast spannend zijn en mooi gemaakt, maar veel minder in staat zo haarscherp te laten zien hoe stigmatisering en beïnvloeden via de media werkt.
Meinderts blijft dicht bij de belevingswereld van kinderen. Ze zijn het slachtoffer van de snode plannen, maar ze zijn ook de motor van het verzet. Het is een spannend verhaal dat makkelijk wegleest. Alles komt goed, maar Meinderts sluit zijn boek wel af met een cynische sneer: ‘Het grote vergeten is begonnen.’

De club van lelijke kinderen
Koos Meinderts met illustraties van Annette Fienieg


Ploegsma, 2019 Twaalfde, herziene druk

Kikker is Kikker - Max Velthuijs

Geplaatst 4 apr. 2019 03:55 door susan *   [ 4 apr. 2019 03:55 bijgewerkt ]


Op 5 april start de actie Geef een prentenboek cadeau. Dit leesbevorderingsproject wil kinderen kennis laten maken met klassiekers uit de kinderliteratuur. Ieder jaar wordt tijdens de actieperiode een prentenboek voor een paar euro aangeboden. Dit jaar viel de keus op Kikker is Kikker van Max Velthuijs. 
    Velthuijs, die in 2005 overleed, maakte veel prachtig werk. Zijn Kikkerboeken zijn het bekendst en werden vaak bekroond. Kikker is Kikker kreeg in 1997 een Gouden Penseel. 

Kikker is niets menselijks vreemd. In eerdere boeken werd hij verliefd, was hij bang, had hij verdriet en was hij een held. In dit boek overwint hij een identiteitscrises. Aan het begin van het verhaal is er niets aan de hand. Kikker kijkt naar zijn spiegelbeeld en is tevreden: ‘Ik ben mooi en ik kan zwemmen en springen als de beste! En ik ben helemaal groen en dat is toevallig ook mijn lievelingskleur. Er is niets mooiers dan een kikker te zijn.’ 
Maar de twijfel slaat toe als Kikker zichzelf gaat vergelijken met anderen. Hij kan niet vliegen zoals Eend, hij geen taarten bakken zoals Varkentje en hij kan ook niet lezen zoals Haas. Hij probeert het wel, maar het mislukt. Het is Haas, die in de kikkerboeken vaak een vaderrol vervuld, die Kikker troost: ’Maar Kikker, ik kan ook niet vliegen en niet timmeren en ik kan ook geen taart bakken en ik kan niet zwemmen en springen zoals jij...omdat ik een haas ben. En jij bent een kikker en we houden allemaal veel van je.’ 
Als Kikker dan opnieuw naar zichzelf kijkt ziet hij het ook, ‘Dat ben ik. Een groene kikker met een gestreepte zwembroek. (...) Ik bof dat ik een kikker ben! Ik wil nooit iets anders zijn!’ 

Velthuijs is in de eerste plaats een geweldige illustrator. Zijn kleurgebruik is schitterend. In dit boek zijn geen vlakke door de computer ingekleurde achtergronden te zien, maar levendige ademende kleuren. Op de tekeningen staan weinig details, maar wat er staat is altijd raak getroffen en bijna brutaal getekend: een plant op een kast, een ketel op het fornuis of een vaas bloemen op tafel. Ook de kleding is knap getekend waardoor alles natuurlijk oogt. Prachtig zijn ook de gezichtsuitdrukkingen. Velthuijs weet met weinig middelen veel uit te drukken. Met slechts een lijn in Kikkers gezicht kunnen we zien hoe hij zich voelt, we zien hoe Haas zich wat kleiner maakt als hij Kikker troost en we zien aan de lichaamshouding van Eend dat hij zo zijn bedenkingen heeft over Kikkers vliegkunsten. 
    Zoals vaak in Velthuijs’ boeken zit ook in dit verhaal een boodschap: je bent goed zoals je bent. Gelukkig wordt de boodschap subtiel gebracht, het staat de lezer vrij wat hij uit het verhaal wil halen. De tekst is helder geschreven en leest prettig voor. 

Kikker is Kikker is ook na ruim twintig jaar nog een prachtig prentenboek die we zeker tot een van de klassiekers van de Nederlandstalige kinderliteratuur kunnen rekeningen. Vanaf 5 april overal te koop voor slecht twee euro. Geef dit boek cadeau! 

Kikker is Kikker 
Max Velthuijs

Andere boeken van Max Velthuijs op kinderboekenpraatjes:

De Rode Prinses - Paul Biegel

Geplaatst 25 mrt. 2019 05:06 door susan *   [ 25 mrt. 2019 05:06 bijgewerkt ]


Vandaag, 25 maart,  is het Paul Biegeldag, maar wie weet dat nog? Ik heb de indruk dat de boeken van Paul Biegel steeds minder gelezen worden en dat is heel jammer. Biegels werk is namelijk tijdloos mooi en een inspiratiebron voor veel kinderboekenschrijvers. De invloed van Biegels stijl zien we bijvoorbeeld in het succesvolle boek Lampje van Annet Schaap en ook kinderboekenambassadeur Hans Hagen bewondert Biegel: ‘Biegel tovert met taal, hij sleurt je in een paar zinnen een verhaal in, de beelden razen en ronken en je moet erin mee, of je wilt of niet.’ 
    Een van de tijdloze boeken van Biegel is de klassieker De Rode Prinses. Hij schreef het in 1987 en het werd geïllustreerd door Fiel van der Veen. Het boek won drie tweede prijzen: een Zilveren Griffel, een Zilveren Penseel en de tweede prijs van de Nederlandse Kinderjury. 

Het verhaal begint op de twaalfde verjaardag van de Rode Prinses. Het volk staat langs de kant van de weg voor de langverwachte rijtoer waar de prinses voor het eerst te zien zal zijn. Het loopt echter anders. Het rijtuig van de prinses wordt gekaapt door rovers en zij gaan ervandoor met de prinses. Er wordt losgeld gevraagd, twaalf pond goud en twaalf pond zilver. 
    Onder het volk wordt een inzameling gehouden om het losgeld te kunnen betalen en een jonge luitenant zal de overdracht verzorgen. Er is echter door de grootmoeder van de prinses een list bedacht om de rovers te slim af te zijn. Maar het loopt anders, de Rode Prinses ontsnapt en dwaalt alleen door het land op zoek naar het paleis. Ondertussen vraagt het volk zich af of de Rode Prinses wel echt bestaat, ze hebben haar immers nog nooit gezien. 

Een verhaal over een ontvoering is al snel spannend, maar dat maakt een boek nog niet tot een klassieker. Het zijn Biegels taalgebruik en humor die het boek boven het gemiddelde uittillen. Erg vermakelijk zijn een aantal terugkerende elementen. Zo spreekt de prinses altijd in de wij-vorm en ook haar onwetendheid over de wereld buiten het paleis leidt vaak tot grappige en ook spannende situaties. De prinses spreekt haar ontvoerders bijvoorbeeld aan zoals ze gewend is: ‘Wij kunnen niet slapen! Het bed piept en kraakt, de lakens schuren en de dekens krabben. Wij wensen dons en zijde. En een glas warme melk met honing.’ Twee rovers lachen haar uit, maar de derde weet wel hoe hij met het ‘Hoogheidje’ om moet gaan. 
    Als de prinses ontsnapt staat ze er alleen voor. Tijdens haar tocht naar het paleis ontmoet ze allerlei mensen waaronder de Verschrikkelijke Umberto en een dominee die haar in het dolhuis laat opsluiten. Ze vindt ook werk in een herberg en later in een danscafé. Haar gekleurde en beperkte wereldbeeld zorgt voor grappige situaties, maar haar eigengereide zelfvertrouwen dwingt ook respect af. 
    Biegels taalgebruik en zijn vrijmoedige omgang met traditionele vertelprincipes blijft ongeëvenaard. Moeiteloos schakelt de schrijver tussen vertellen in de derde persoon, naar vertellen in de tweede persoon om vervolgens verder te gaan met een lange dialoog die enkele bladzijde in beslag neemt. En dan is er natuurlijk dat prachtige taalgebruik van de schrijver vol met klankrijke beeldende woorden. Zo draagt de Rode Prinses ‘schitterend karmozijn’ en is de losgeldbrief met ‘zwarte gal’ geschreven. Tussen al die mooie woorden valt een ruwe uitdrukking extra op en ook daar speelt Biegel mee. Een paar keer valt de kreet ‘bek dicht’ en in de context
van het verhaal heeft dat een lachwekkende werking. 
    Natuurlijk zijn er ook de befaamde Biegeliaanse opsommingen, herhalingen en prachtige beeldspraken: ‘De Rode Prinses liep en liep en liep. Ze kwam in een oud stadje met torentjes als spitse vingers, een gracht als een ceintuur en bruggetjes als hoge kattenruggen.’ 
Biegel mag ook graag wat symboliek in zijn verhalen verwerken. In De Rode Prinses speelt hij onder andere met het heilige getal twaalf en het ongeluksgetal dertien. 

De illustraties kunnen niet onbesproken blijven. Fiel van der Veen tekent gedetailleerd en er is dan ook heel veel te zien: het volk langs de kant van de weg dat elkaar verdringt en later ontsteld achterblijft na de brutale overval, prachtige landschappen, een sombere kerker en de pracht en praal van het paleis. Heel knap weet Van der Veen de karakters van de personages tot uitdrukking te brengen, zo blijft de Rode Prinses altijd koninklijk, zelfs als ze in vodden is gekleed, daarentegen zien de soldaten er altijd een beetje knullig uit. 

De Rode Prinses in ook na 32 jaar tijdloos mooi en vermakelijk. 

De Rode Prinses 
Paul Biegel met illustraties van Fiel van der Veen 

Lemniscaat, 2015 (vierde druk)     €15,95 

De wind in de wilgen - Kenneth Grahame

Geplaatst 31 mei 2018 04:50 door susan *   [ 31 mei 2018 04:50 bijgewerkt ]


The wind in the willows vindt zijn oorsprong in de verhalen die Kenneth Grahame (1859-1932) aan zijn zoon Alastair vertelde. Alastair was een ziekelijk kind met een moeilijk karakter. Hij pleegde zelfmoord toen hij twintig was. 
    Grahame, in zijn tijd al een gerespecteerde schrijver, schreef de verhalen pas jaren later op. Het boek verscheen in 1908, eerst in Amerika en kort daarna ook in Engeland. De reacties erop waren gemengd. President Theodore Rooseveld bleek een grote fan en schreef Grahame in 1909 zelfs een brief met daarin de veel geciteerde opmerking:´I have read it and re-read it, and have come to accept the characters as old friends.´ Het boek werd pas echt populair toen A.A.Milne (de auteur van de Winnie de Poehboeken) delen ervan bewerkte voor het toneel. Milne was een groot fan van het boek zoals uit deze quote blijkt: 

    'One does not argue about The Wind in the Willows. The young man gives it to the girl with         whom he is in love, and, if she does not like it, asks her to return his letters. The older man        tries it on his nephew, and alters his will accordingly. The book is a test of character. We            can't criticize it, because it is criticizing us. But I must give you one word of warning. When        you sit down to it, don't be so ridiculous as to suppose that you are sitting in judgment on my     taste, or on the art of Kenneth Grahame. You are merely sitting in judgment on yourself. You     may be worthy: I don't know, But it is you who are on trial.'

Inmiddels zijn er miljoenen exemplaren van het boek in tientallen landen verkocht. 

Het verhaal begint bij Mol die tijdens de lenteschoonmaak overvallen wordt door een heerlijke onrust. Hij krabbelt en wringt zich uit zijn mollenhol omhoog en neemt een vrije dag. Bij de rivier ontmoet hij Rat die hem uitnodigt voor een roeitochtje. Rat en Mol worden vrienden en ze brengen samen een heerlijke zomer aan het water door. 
    Mol ontmoet ook de vrienden van Rat, waaronder de steenrijke opschepperige Pad en de serieuze vriendelijk oude Das. Vooral Pad houdt de gemoederen bezig, bijvoorbeeld als hij zich overgeeft aan zijn nieuwste passie: snelle auto´s. Hij belandt zelfs in de gevangenis, maar weet te ontsnappen. Bij terugkomst is zijn huis overgenomen door wezels en fretten. De vrienden maken dan een plan om de Paddenburg te ontzetten. 
    Naast de avonturen van de hoofdpersonen beschrijft Grahame uitgebreid het landschap en de geneugten van een gezellig samenzijn. 



Wat maakt dat De wind in de wilgen al ruim honderd jaar zoveel lezers bekoort? Zijn het de beschrijvingen van het Zuid-Engelse landschap van Berkshire? Is het die wonderlijke wereld die Grahame schept, met dieren die vanzelfsprekend naast mensen leven en toch hun eigen samenleving hebben, inclusief de typisch Engelse standenverschillen? Of zijn het de rake karakteriseringen van de hoofdpersonen, waar onder andere Milne naar verwijst. 
Zeker is dat de karakters van de hoofdpersonen een van de grote charmes van het boek is. De aandoenlijke en trouw Mol, de wereldwijze openhartige Rat, de aristocratische Das en die heerlijke verwaande, domme, hartveroverende Pad. Personages die zich makkelijk laten typeren, maar verre van eenzijdig zijn. 

In 2012 maakte kinderboekenschrijver Reggie Naus een nieuwe bewerkte vertaling van deze klassieker, gebaseerd op een bewerkte Engelse uitgave met illustraties van David Roberts. Hierin ontbrak het hoofdstuk The Piper at the Gates of Dawn, een dromerig beeldend verhaal waarin Mol en Rat een ontmoeting hebben met de god Pan, ‘de Vriend en Helper’. In deze uitgave is dit hoofdstuk weer toegevoegd. 
    Naus maakte een mooie vertaling die dicht bij de originele tekst blijft. De unieke sfeer van het verhaal weet hij goed over te brengen. 

The wind in the willows verscheen in 1908 zonder illustraties, maar in de loop der jaren is het vele malen geïllustreerd door verschillende kunstenaars. Naast de eerder genoemde uitgave met illustraties van David Roberts, verscheen in Nederland ook een uitgave met tekeningen van Inga Moore. Het meest bekend zijn de illustraties van E.H Shepard, bekend van Milne’s Winnie de Poehboeken. Grahame was al overleden toen de eerste druk met Shepards werk uitkwam. Het verhaal gaat dat de schrijver zeer te spreken was over de schetsen die hij nog wel gezien heeft: 'I´m glad you´ve made them real´. 
In de jaren zeventig kleurde Shepard zijn oorspronkelijke illustraties in. In deze uitgave zijn de  zwart-witillustraties opgenomen. 

De wind in de wilgen 
Kenneth Grahame, vertaald en bewerkt door Reggie Naus met illustraties van E.H. Shepard 

Ploegsma, 2018 (twaalfde druk)     € 19,99

Alle verhalen van Ridder Florian - Marjet Huiberts & Philip Hopman

Geplaatst 17 mei 2018 06:36 door susan *   [ 17 mei 2018 06:36 bijgewerkt ]


Een ridder is een held, dat weet iedereen. Hij (ridderessen zijn zeldzaam) trekt eropuit om draken, reuzen en heksen te verslaan, jonkvrouwen te redden en in zijn vrije tijd te jagen of deel te nemen aan een riddertoernooi. Maar wat nou als je als ridder toevallig niet zo dapper bent? Zo’n ridder is ridder Florian. Hij zit te trillen op zijn paard als hij een draak moet vangen, zijn hoogtevrees zit in de weg als er een prinses gered moet worden, hij is bang voor spoken, akelige edelmannen en kwaaie keizerinnen en als hij gaat jagen wil hij liever geen dieren doden. Altijd staat hij er alleen voor, want zijn ouders zijn in geen velden of wegen te bekennen. 
    Het uitgangspunt van de verhalen is sterk. Als zelfs een ridder bang kan zijn, dan hoeven de jonge lezers zich nergens meer voor te schamen. Het is een fijne indirecte manier om de boodschap over te brengen dat iedereen weleens bang is. Die boodschap wordt in menig verhaal nog eens onderstreept, want ook anderen hebben angsten en verdriet. In de verhalen ontmoet Ridder Florian bijna altijd iemand die niet aan de clichés voldoet: de draak is eenzaam en zit te huilen, de heks is een verwarde dame die graag wat hulp wil, de jonkvrouw kan zichzelf wel redden, de reus eet liever pannenkoeken dan kleine ridders en de indrukwekkende hertog Han van Spangen gaat liever bessen zoeken dan jagen. 
De opbouw van de verhalen is vaak hetzelfde: Ridder Florian moet iets doen waar hij tegenop ziet en dan valt heel erg mee. 

Het eerste boek over Ridder Florian kwam in 2006 uit. Inmiddels is Huiberts een gevierd schrijfster die onder andere het Prentenboek van het jaar 2016 schreef (We hebben er een geitje bij!) en de Aadje Piraatje-boeken. 
    Huiberts vertelt de verhalen in speelse rijmende zinnen. Ze gebruikt een simpel rijmschema als basis waarbinnen ze creatief te werk gaat: zinnen lopen door, er worden uitroepen in de tekst verwerkt en soms ook een stukje dialoog. Huiberts schuwt hier en daar een moeilijk woord niet en binnen de context van het verhaal is dat geen probleem. Daarnaast gebruikt Huiberts ook eigentijdse woorden, wat vaak een grappig effect heeft. Menig kleuter zal ook genieten van het plotseling opduiken van  ‘stoute woorden’ zoals billen of schijterd. De versjes zijn een mooi taalspel met verrijkende taal en fijne humor. Een voorbeeld uit het verhaal Spook waarin Ridder Florian en het spook tegenover elkaar komen te staan: 

    Sjoerdje Spook begint te gillen. 
    En hij staat een uur te rillen. 
    ‘Brr, een mens!’ verzucht hij dan. 
    ‘Om je dood te schrikken, man.’ 


Naast de tekst leveren de tekeningen van Philip Hopman een belangrijke bijdrage aan de populariteit van Ridder Florian. Het was Huiberts idee om Hopman te vragen voor de illustraties. Hopman is onder andere bekend van de Boer Borisboeken
    Hopman tekent Florian als een echte ridder met een riddermantel, een zwaard, een muts met een veer en stoere laarzen. Hij laat op vele manieren zien wat er in Ridder Florians hoofd omgaat. Als de kleine ridder bang is, is zijn mond een rechte streep en zit hij ineengedoken op zijn paard of sluipt met opgetrokken schoudertjes het gevaar tegemoet. Als Ridder Florian vrolijk is dan gaat hij er ook voor: we zien hem vol overgave roeren in een pan vol soep, we zien hem uit zijn dak gaan achter de djembé of met grote gebaren een mop vertellen. 
    De tekeningen staan ook vol heerlijke bijfiguren, bijvoorbeeld vierentwintig woestelingen die een koor vormen, een aandoenlijk huilende draak, een dansende trol, een schaterlachende keizerin en een keur aan adellijke heren die aanvankelijk streng kijken, maar die vaak later in het verhaal compleet veranderen. 
    Zoals altijd is het kleurgebruik van Hopman eigenzinnig en warm. De landschappen zijn geïnspireerd op een Italiaans landschap, evenals de architectuur. Prachtig zijn ook de illustraties waarin Hopman voor een opvallend perspectief kiest, bijvoorbeeld het gezichtspunt van een aantal draken in een boom die neerkijken op een nietsvermoedende schurk die hun kant op komt, of een bovenaanzicht van Florian in zijn vikingbed. Op de laatste illustratie in het boek, die twee pagina’s vult, zien we alle personages uit alle verhalen op een bruiloftsfeest. 

Alle verhalen van Ridder Florian is een geweldig voorlees-en kijkboek met goedlopende grappige versjes en prachtig werk van Philip Hopman. 

Alle verhalen van Ridder Florian 
Marjet Huiberts (tekst) en Philip Hopman (illustraties) 

Gottmer, 2018 € 17,99

Eric Carle en Rupsje Nooitgenoeg

Geplaatst 12 feb. 2018 04:33 door susan *   [ 12 feb. 2018 04:33 bijgewerkt ]


Eric Carle (1929) was al veertig toen zijn carrière als prentenboekenmaker op stoom kwam. In 1969 verscheen zijn bestseller The Very Hungry Caterpillar, in het Nederlands vertaald als Rupsje Nooitgenoeg. Dit boek werd in 62 talen vertaald en er werden ruim 46 miljoen exemplaren van verkocht. Carle werd een vermogend man. 
    Hoe anders zag zijn leven eruit toen hij in 1952 aankwam in Amerika met een goed gevuld portfolio en veertig dollar op zak. Carle is geboren in Amerika, in Syracuse New York, maar verhuisde met zijn ouders in 1935 naar Duitsland. Hij groeide daar op tijdens de Tweede Wereldoorlog. 
Carle had een hekel aan school, hij vond het saai. Zijn tekentalent werd er wel al vroeg ontdekt en aan zijn ouders werd gevraagd dit talent te koesteren. Dat deden ze graag, al was het maar omdat zijn vader zelf kunstenaar had willen worden. 
    Carle groeide op in een grauwe omgeving waarin kleur ontbrak; uit de steden waren de kleuren vervangen door grijs en bruin (om ze te camoufleren voor bommenwerpers) en ook in de kunst was het kleurgebruik niet spectaculair. Expressionisten en abstracte kunst waren door nazi’s bestempel als ‘entartete kunst’ en verboden. Toen een kunstleraar de jonge Carle heimelijk werk liet zien van Picasso en Matisse was hij geschokt, pas later op de kunstacademie in Stuttgart leerde hij dit werk waarderen. Deze ervaringen hebben veel invloed op Carle gehad en maakte hem tot een kunstenaar die uitsluitend kleurrijk werk maakt en nooit een saai kinderboek wil afleveren. 
    Toen Carle emigreerde naar Amerika vond hij werk in de reclamebusiness. Ook dat heeft zijn werk beïnvloed. Van een reclamemaker wordt verwacht dat hij met een aansprekend en niet al te complex beeld direct een boodschap kan overbrengen. Carle is daar een meester in. Hij kiest er meestal voor zijn onderwerp frontaal of in een zijaanzicht af te beelden, opvallende perspectiefkeuzes maakt hij zelden. Carle werkt met gekleurd papier dat hij over elkaar plakt en soms ook beschilderd. Kleine details brengt hij aan met krijt of inkt. 

In 1967 benadert Bill Martin Jr. Carle met de vraag of hij zijn kinderboek wil illustreren. Het boek spreekt Carle aan, vooral de eenvoud ervan. Samen maken ze Beertje bruin wat zie jij daar? Het wordt een zeer succesvol boek dat nog altijd te koop is. Een jaar later maakt Carle voor het eerst zelf een prentenboek: 1, 2, 3, ik tel de dieren die ik zie. In dit boek zien we al Carle’s handelsmerk: kinderboeken waarvan iets geleerd kan worden, zonder dat dit dwingend is. Over 1,2,3, ik tel de dieren die ik ziezegt Carle in een interview dat hij verwacht dat veel kinderen giraffen en nijlpaarden zullen gaan tellen, maar dat er ook kinderen zullen zijn, ‘de verhalenvertellers van morgen’, die meer oog hebben voor het kleine muisje dat door het boek wandelt; zij zullen zich afvragen wat het muisje te zeggen heeft. 
    Een jaar later maakt Carle zijn meest succesvolle boek: Rupsje Nooitgenoeg. Het ontstond uit een stapel papier waar hij gaatjes in had gemaakt en hij bedacht daar een verhaal bij over een boekenworm. Het boek zou de titel A week with Willie Worm krijgen. Zijn uitgever adviseerde echter het verhaal een andere wending te geven omdat een groene worm als hoofdpersoon de lezer niet zou aanspreken. En zo werd de worm een rups en de rest is geschiedenis. 
    Het verhaal over de rups die zich gedurende een week door van alles en nog wat eet en uiteindelijk een prachtige vlinder wordt laat weer de combinatie zien van een leerrijk verhaal dat ook zonder leerdoelstellingen aantrekkelijk is om (voor) te lezen. Hoewel Carle dit niet bedacht bij het maken van het boek, denkt hij nu dat het enorme succes ook is toe te schrijven aan de onderliggende hoopvolle boodschap: ‘It’s a book of hope. That you, an insignificant, ugly little caterpillar can grow up and eventually unfold your talent, and fly into the world.’ 
    Rupsje Nooitgenoeg werd ook in Nederland een groot succes. De eerste druk verscheen in 1969. Wie boek het vertaalde en van 'The Very Hungry Caterpillar' 'Rupsje Nooitgenoeg' maakte is niet te achterhalen. De uitgever houdt het op ‘de teksten van Carle zijn hier binnen Gottmer vertaald’ en dus zullen we nooit weten wie verantwoordelijk is voor de toevoeging van een nieuw begrip aan de Woordenlijst Nederlandse Taal. 

Carle maakte nog veel meer succesvolle prentenboeken, waaronder Wil jij mijn vriendje zijn (1971), Het lieveheersbeestje dat niet lief deed (1977), De spin die het te druk had (1984), De krekel die niet kon tsjirpen (1990) en Van top tot teen (1997). Ook dit zijn speelse boeken waar de lezer, als hij dat wil, iets van kan leren. Voorbeelden van Carle’s  speelse toevoegingen zijn gaten in de bladzijden, geluideffecten of een lampje.
    Het kinderboekenoeuvre van Carle bestaat inmiddels uit ruim zeventig boeken, waarvan er 145 miljoen wereldwijd werden verkocht. Inmiddels is ‘Mr. Picture writer’ Carle 88 en nog altijd aan het werk. 

Rupsje Nooitgenoeg 
Eric Carle (vertaler onbekend) 


Gottmer, 1969


Kleine Beer - Else Holmelund Minarik

Geplaatst 15 jan. 2018 04:41 door susan *   [ 15 jan. 2018 04:41 bijgewerkt ]


De eerste vijf boekjes over Kleine Beer verschenen tussen 1957 en 1968. In Nederland werden ze vertaald door Heleen Kernkamp-Biegel en uitgegeven door Ploegsma. Lemniscaat brengt de vijf boeken nu opnieuw uit, in een frisse nieuwe vertaling van Jesse Goossens. 
De schrijfster, Else Holmelund Minarik (1920 –2012) werd geboren in Denemarken. Ze verhuisde met haar familie op vierjarige leeftijd naar de Verenigde Staten en werd Amerikaanse. Ze studeerde onder andere psychologie en ging lesgeven aan jonge kinderen. 
Holmelund Minarik was niet tevreden over het aanbod aan leesboeken voor haar leerlingen en kopieerde daarom verhalen die ze had geschreven voor haar dochter die al op jonge leeftijd zelfstandig wilde lezen. In deze verhalen speelt een kleine beer de hoofdrol en hij beleeft kleine avonturen. 
De verhalen slaan aan het Holmelund Minarik besluit een uitgever te zoeken. De eerste uitgever ziet er wel wat in, maar wil dat de schrijfster de beer vervangt voor een kind. Daar voelt Holmelund Minarik niets voor: ‘ I thought to myself, all children of all colours would be reading the stories. All children love animals. The bear is fine.’ Er werd een andere uitgever gevonden en deze huurde Maurice Sendak in voor de illustraties. Sendak tekende het beertje in zijn kenmerkende stijl die zes jaar later wereldwijd bekend zou worden na het verschijnen van zijn meest succesvolle boek Where the wild things are (vertaald als Max en de Maximonsters). 

De avonturen van Kleine Beer zijn niet spectaculair en blijven dicht bij de belevingswereld van jonge kinderen. Zo is er de spanning van een aanstaande verjaardag of een beschrijving van een bezoek aan opa en oma. Kleine Beer speelt ook graag en gebruikt daarbij volop zijn fantasie: hij vliegt met een zelfgemaakte ruimtehelm naar de maan en hoopt dat zijn vader een zeemeermin meeneemt als deze terugkeert van een reis. Holmelund Minarik maakt in haar verhalen een mooie mix tussen realiteit en fantasie. 
De wereld van Kleine Beer is warm en veilig. Het beertje trekt erop uit, maar hij komt altijd weer in de armen van zijn moeder terug. De rolverdeling tussen mannen en vrouwen in de verhalen is traditioneel, Kleine Beer heeft vooral te maken met zijn moeder en af en komt vader beer in beeld. 
De tekst is geschikt voor beginnende lezers; de zinnen zijn niet lang en er worden geen moeilijke woorden gebruikt. Ook zijn er vaak herhalingen in de tekst verwerkt en dat helpt om het goed te kunnen volgen. Holmelund Minarik gebruikt wel hier en daar wat moeilijkere verteltechnieken, zoals een verhaal binnen een verhaal. 

De illustraties van Sendak zijn een belangrijke aanvulling en waarschijnlijk de reden dat deze serie wereldwijd zo geliefd is. Kleine Beer loopt meestal zonder kleren door de verhalen, dit in tegenstelling tot de volwassen beren die ouderwets gekleed gaan. De gezichtsuitdrukkingen zijn niet heel uitgesproken en laten zo ruimte voor de lezers zelf in te vullen wat Kleine Beer denkt en voelt. 
De interieurs en achtergronden zijn aangezet in lichte kleuren en dat benadrukt de warme veilige omgeving die Kleine Beer omringt. In de loop van de serie wordt Kleine Beer wat groter en ook de volwassen beren worden ouder. 
Sendak brengt niet alleen de wereld van Kleine Beer in beeld, hij heeft ook de tekst sierlijk omlijst. Het geeft de boeken een fraaie en nostalgische uitstraling. 

De veilige ouderwetse wereld waarin Kleine Beer zijn avonturen beleeft en die zo mooi wordt weergeven door Sendak is ook na ruim vijftig jaar nog een prettige plaats om naar toe te gaan. 

De serie bestaat uit vijf boeken: 
Kleine Beer 
Papa Beer komt thuis 
Kleine Beer heeft een vriendje 
Kleine Beer gaat op bezoek 
Een kusje voor Kleine Beer 


Else Holmelund Minarik (tekst, vertaald door Jesse Goossens) met illustraties van Maurice Sendak 
Lemniscaat, 2017     € 11,50 per deel

Pippeloentje en Dikkertje Dap - Annie M.G. Schmidt

Geplaatst 30 okt. 2017 05:53 door susan *   [ 30 okt. 2017 05:53 bijgewerkt ]


      


Het is een sterk concept om het werk van Annie M.G.Schmidt levend te houden: hedendaagse illustratoren vragen om bekend werk van de geliefde schrijfster van nieuwe illustraties te voorzien. Zo mocht Fleur van der Weel aan de slag met de versjes over ‘t beertje Pippeloentje en voorzag Noëlle Smit het bekende versje Dikkertje Dap van nieuwe illustraties. Beide dames hadden overigens al eerder tekeningen bij deze bekende versjes gemaakt, maar sloegen voor deze opdracht nieuwe wegen in. 
Het eerste versje over beertje Pippeloentje verscheen in 1950 voor het eerst in boekvorm in de bundel Het fluitketeltje, een verzameling versjes die eerder in Het Parool waren gepubliceerd. Ook Dikkertje Dap maakt in dit boek voor het eerst zijn opwachting. Over ’t beertje Pippeloentje schreef Schmidt uiteindelijk twaalf versjes die in 1958 voor het eerst werden gebundeld. Het beertje, altijd direct te herkennen aan zijn pet, beleeft in de versjes spannende berenavonturen die dicht bij de belevingswereld van de jonge lezers blijven. Pippeloentje maakt bijvoorbeeld een verre reis (al dan niet in zijn verbeelding), hij is jarig en geeft een feestje, hij verstopt zich voor zijn ouders, hij gaat in bad en hij is ondeugend. De versjes kennen onvergetelijke regels waarin Annie Schmidt woorden alsplantsoentje, paviljoentje en juttepeertjes aan de taalschat van de kleuters toevoegt. 
Wim Bijmoer was de eerste die Pippeloentje tekende, eerst in zwart-wit, later in kleur. Het is een stoere beer met een grote pet op zijn hoofd. In de jaren tachtig werden de versjes opnieuw gebundeld en geïllustreerd door de toen nog onbekende Jan Jutte. Zijn Pippeloentje is een rond en schattig beertje. Zowel Bijmoer als Jutte volgden de tekst van Schmidt nauwkeurig en voegden er weinig aan toe. Anders is dat in de volgende uitgave die Harrie Geelen illustreerde. In zijn kenmerkende kleurige vrije stijl maakte hij meerdere tekeningen die een interpretatie van de versjes laten zien. Bij Geelen is ‘de boot naar Engeland’ een omgekeerde tafel en als het beertje ‘weg is’ kan de lezer zien dat Pippeloentje een spelletje met zijn ouders speelt. 
Fleur van der Weel heeft een andere keuze gemaakt. Haar tekeningen laten een jaar uit het leven van Pippeloentje en zijn ouders zien; van een zwangere berenmama tot het eerste verjaardagsfeestje, van voorjaar tot winter. De beren die Van der Weel tekent zijn verrassend schattig. In haar eerdere werk koos ze vaak voor heldere kleuren en hoekige personages, maar nu zien we zachte in elkaar overlopende kleuren en toegankelijke warme tekeningen.
De illustraties spelen slechts summier in op de tekst. Zo heeft Pippeloentje een mutsje op en zeker geen pet, zien we nergens een paviljoentje en ‘de kleine beertjes’ die regelmatig in de versjes hun opwachting maken zien we ook niet. In dit prentenboek draait het niet zozeer om de tekst van Schmidt, het zijn de innemende tekeningen die de hoofdrol opeisen. 

Ook Dikkertje Dap werd door Wim Bijmoer als eerste getekend. Hij schiep het iconische beeld van het jongetje Dikkertje op de ladder bij de giraf. Ook Dikkertje Dap werd door meerdere bekende illustratoren geportretteerd, waaronder Harrie Geelen en Fiep Westendorp. 
Noëlle Smit liet haar interpretatie van zowel Pippeloentje als Dikkertje Dap al in 2012 zien in de bundel Ik sta Paf! (Querido, 2012). Voor het nieuwe boek creëerde ze een andere Dikkertje: het donkerharige ventje met een rood hoedje op werd een blond mannetje met een pet. 
Waar Fleur van der Weel volop gelegenheid had in te spelen op de tekst, moet Noëlle Smit het met minder doen want zij heeft slechts één versje tot haar beschikking. Toch weet ze het prentenboek te vullen door de Amsterdamse dierentuin Artis en zijn bewoners een prominente rol te geven. We zien bijvoorbeeld al voor het versje begint Dikkertje met zijn ladder langs de flamingo’s en de bekende apenrots lopen. Als  Dikkertje in gesprek gaat met de giraf vult Smit zijn woorden aan. Zo kan de lezer zien dat Dikkertjes rode laarsjes niet alleen handig zijn voor de regen, deelt het jongetje de letters die hij al kent met de zeeleeuwen en ook Dikkertjes tekenkunsten worden getoond. Natuurlijk zijn er ook talrijke tekeningen waarop Dikkertje en de giraf centraal staan. Smit weet daarbij op allerlei verschillende manieren het verschil in grootte weer te geven. Ze speelt met perspectief en compositie en werkt met een kleurig palet. Dat resulteert in een aantrekkelijk en vrolijk prentenboek. 

In de nieuwe uitgaven van Pippeloentje en Dikkertje Dap geven Fleur van der Weel en Noëlle Smit hun beelden bij de vertrouwde versjes van Annie M.G.Schmidt. Beide dames creëerden een fijne wereld om in onder te duiken. Bij Pippeloentje is die wereld warm en geborgen, bij Dikkertje Dap vrolijk en kleurrijk. 

Pippeloentje 
Annie M.G. Schmidt (tekst) en Fleur van der Weel (illustraties) 

Querido, 2017     € 17,50 

Dikkertje Dap 
Annie M.G. Schmidt (tekst) en Noëlle Smit (illustraties) 
Querido, 2017     € 9,99

1-10 of 53