lijst Klassiekers


De wind in de wilgen - Kenneth Grahame

Geplaatst 31 mei 2018 04:50 door susan *   [ 31 mei 2018 04:50 bijgewerkt ]


The wind in the willows vindt zijn oorsprong in de verhalen die Kenneth Grahame (1859-1932) aan zijn zoon Alastair vertelde. Alastair was een ziekelijk kind met een moeilijk karakter. Hij pleegde zelfmoord toen hij twintig was. 
    Grahame, in zijn tijd al een gerespecteerde schrijver, schreef de verhalen pas jaren later op. Het boek verscheen in 1908, eerst in Amerika en kort daarna ook in Engeland. De reacties erop waren gemengd. President Theodore Rooseveld bleek een grote fan en schreef Grahame in 1909 zelfs een brief met daarin de veel geciteerde opmerking:´I have read it and re-read it, and have come to accept the characters as old friends.´ Het boek werd pas echt populair toen A.A.Milne (de auteur van de Winnie de Poehboeken) delen ervan bewerkte voor het toneel. Milne was een groot fan van het boek zoals uit deze quote blijkt: 

    'One does not argue about The Wind in the Willows. The young man gives it to the girl with         whom he is in love, and, if she does not like it, asks her to return his letters. The older man        tries it on his nephew, and alters his will accordingly. The book is a test of character. We            can't criticize it, because it is criticizing us. But I must give you one word of warning. When        you sit down to it, don't be so ridiculous as to suppose that you are sitting in judgment on my     taste, or on the art of Kenneth Grahame. You are merely sitting in judgment on yourself. You     may be worthy: I don't know, But it is you who are on trial.'

Inmiddels zijn er miljoenen exemplaren van het boek in tientallen landen verkocht. 

Het verhaal begint bij Mol die tijdens de lenteschoonmaak overvallen wordt door een heerlijke onrust. Hij krabbelt en wringt zich uit zijn mollenhol omhoog en neemt een vrije dag. Bij de rivier ontmoet hij Rat die hem uitnodigt voor een roeitochtje. Rat en Mol worden vrienden en ze brengen samen een heerlijke zomer aan het water door. 
    Mol ontmoet ook de vrienden van Rat, waaronder de steenrijke opschepperige Pad en de serieuze vriendelijk oude Das. Vooral Pad houdt de gemoederen bezig, bijvoorbeeld als hij zich overgeeft aan zijn nieuwste passie: snelle auto´s. Hij belandt zelfs in de gevangenis, maar weet te ontsnappen. Bij terugkomst is zijn huis overgenomen door wezels en fretten. De vrienden maken dan een plan om de Paddenburg te ontzetten. 
    Naast de avonturen van de hoofdpersonen beschrijft Grahame uitgebreid het landschap en de geneugten van een gezellig samenzijn. 



Wat maakt dat De wind in de wilgen al ruim honderd jaar zoveel lezers bekoort? Zijn het de beschrijvingen van het Zuid-Engelse landschap van Berkshire? Is het die wonderlijke wereld die Grahame schept, met dieren die vanzelfsprekend naast mensen leven en toch hun eigen samenleving hebben, inclusief de typisch Engelse standenverschillen? Of zijn het de rake karakteriseringen van de hoofdpersonen, waar onder andere Milne naar verwijst. 
Zeker is dat de karakters van de hoofdpersonen een van de grote charmes van het boek is. De aandoenlijke en trouw Mol, de wereldwijze openhartige Rat, de aristocratische Das en die heerlijke verwaande, domme, hartveroverende Pad. Personages die zich makkelijk laten typeren, maar verre van eenzijdig zijn. 

In 2012 maakte kinderboekenschrijver Reggie Naus een nieuwe bewerkte vertaling van deze klassieker, gebaseerd op een bewerkte Engelse uitgave met illustraties van David Roberts. Hierin ontbrak het hoofdstuk The Piper at the Gates of Dawn, een dromerig beeldend verhaal waarin Mol en Rat een ontmoeting hebben met de god Pan, ‘de Vriend en Helper’. In deze uitgave is dit hoofdstuk weer toegevoegd. 
    Naus maakte een mooie vertaling die dicht bij de originele tekst blijft. De unieke sfeer van het verhaal weet hij goed over te brengen. 

The wind in the willows verscheen in 1908 zonder illustraties, maar in de loop der jaren is het vele malen geïllustreerd door verschillende kunstenaars. Naast de eerder genoemde uitgave met illustraties van David Roberts, verscheen in Nederland ook een uitgave met tekeningen van Inga Moore. Het meest bekend zijn de illustraties van E.H Shepard, bekend van Milne’s Winnie de Poehboeken. Grahame was al overleden toen de eerste druk met Shepards werk uitkwam. Het verhaal gaat dat de schrijver zeer te spreken was over de schetsen die hij nog wel gezien heeft: 'I´m glad you´ve made them real´. 
In de jaren zeventig kleurde Shepard zijn oorspronkelijke illustraties in. In deze uitgave zijn de  zwart-witillustraties opgenomen. 

De wind in de wilgen 
Kenneth Grahame, vertaald en bewerkt door Reggie Naus met illustraties van E.H. Shepard 

Ploegsma, 2018 (twaalfde druk)     € 19,99

Alle verhalen van Ridder Florian - Marjet Huiberts & Philip Hopman

Geplaatst 17 mei 2018 06:36 door susan *   [ 17 mei 2018 06:36 bijgewerkt ]


Een ridder is een held, dat weet iedereen. Hij (ridderessen zijn zeldzaam) trekt eropuit om draken, reuzen en heksen te verslaan, jonkvrouwen te redden en in zijn vrije tijd te jagen of deel te nemen aan een riddertoernooi. Maar wat nou als je als ridder toevallig niet zo dapper bent? Zo’n ridder is ridder Florian. Hij zit te trillen op zijn paard als hij een draak moet vangen, zijn hoogtevrees zit in de weg als er een prinses gered moet worden, hij is bang voor spoken, akelige edelmannen en kwaaie keizerinnen en als hij gaat jagen wil hij liever geen dieren doden. Altijd staat hij er alleen voor, want zijn ouders zijn in geen velden of wegen te bekennen. 
    Het uitgangspunt van de verhalen is sterk. Als zelfs een ridder bang kan zijn, dan hoeven de jonge lezers zich nergens meer voor te schamen. Het is een fijne indirecte manier om de boodschap over te brengen dat iedereen weleens bang is. Die boodschap wordt in menig verhaal nog eens onderstreept, want ook anderen hebben angsten en verdriet. In de verhalen ontmoet Ridder Florian bijna altijd iemand die niet aan de clichés voldoet: de draak is eenzaam en zit te huilen, de heks is een verwarde dame die graag wat hulp wil, de jonkvrouw kan zichzelf wel redden, de reus eet liever pannenkoeken dan kleine ridders en de indrukwekkende hertog Han van Spangen gaat liever bessen zoeken dan jagen. 
De opbouw van de verhalen is vaak hetzelfde: Ridder Florian moet iets doen waar hij tegenop ziet en dan valt heel erg mee. 

Het eerste boek over Ridder Florian kwam in 2006 uit. Inmiddels is Huiberts een gevierd schrijfster die onder andere het Prentenboek van het jaar 2016 schreef (We hebben er een geitje bij!) en de Aadje Piraatje-boeken. 
    Huiberts vertelt de verhalen in speelse rijmende zinnen. Ze gebruikt een simpel rijmschema als basis waarbinnen ze creatief te werk gaat: zinnen lopen door, er worden uitroepen in de tekst verwerkt en soms ook een stukje dialoog. Huiberts schuwt hier en daar een moeilijk woord niet en binnen de context van het verhaal is dat geen probleem. Daarnaast gebruikt Huiberts ook eigentijdse woorden, wat vaak een grappig effect heeft. Menig kleuter zal ook genieten van het plotseling opduiken van  ‘stoute woorden’ zoals billen of schijterd. De versjes zijn een mooi taalspel met verrijkende taal en fijne humor. Een voorbeeld uit het verhaal Spook waarin Ridder Florian en het spook tegenover elkaar komen te staan: 

    Sjoerdje Spook begint te gillen. 
    En hij staat een uur te rillen. 
    ‘Brr, een mens!’ verzucht hij dan. 
    ‘Om je dood te schrikken, man.’ 


Naast de tekst leveren de tekeningen van Philip Hopman een belangrijke bijdrage aan de populariteit van Ridder Florian. Het was Huiberts idee om Hopman te vragen voor de illustraties. Hopman is onder andere bekend van de Boer Borisboeken
    Hopman tekent Florian als een echte ridder met een riddermantel, een zwaard, een muts met een veer en stoere laarzen. Hij laat op vele manieren zien wat er in Ridder Florians hoofd omgaat. Als de kleine ridder bang is, is zijn mond een rechte streep en zit hij ineengedoken op zijn paard of sluipt met opgetrokken schoudertjes het gevaar tegemoet. Als Ridder Florian vrolijk is dan gaat hij er ook voor: we zien hem vol overgave roeren in een pan vol soep, we zien hem uit zijn dak gaan achter de djembé of met grote gebaren een mop vertellen. 
    De tekeningen staan ook vol heerlijke bijfiguren, bijvoorbeeld vierentwintig woestelingen die een koor vormen, een aandoenlijk huilende draak, een dansende trol, een schaterlachende keizerin en een keur aan adellijke heren die aanvankelijk streng kijken, maar die vaak later in het verhaal compleet veranderen. 
    Zoals altijd is het kleurgebruik van Hopman eigenzinnig en warm. De landschappen zijn geïnspireerd op een Italiaans landschap, evenals de architectuur. Prachtig zijn ook de illustraties waarin Hopman voor een opvallend perspectief kiest, bijvoorbeeld het gezichtspunt van een aantal draken in een boom die neerkijken op een nietsvermoedende schurk die hun kant op komt, of een bovenaanzicht van Florian in zijn vikingbed. Op de laatste illustratie in het boek, die twee pagina’s vult, zien we alle personages uit alle verhalen op een bruiloftsfeest. 

Alle verhalen van Ridder Florian is een geweldig voorlees-en kijkboek met goedlopende grappige versjes en prachtig werk van Philip Hopman. 

Alle verhalen van Ridder Florian 
Marjet Huiberts (tekst) en Philip Hopman (illustraties) 

Gottmer, 2018 € 17,99

Eric Carle en Rupsje Nooitgenoeg

Geplaatst 12 feb. 2018 04:33 door susan *   [ 12 feb. 2018 04:33 bijgewerkt ]


Eric Carle (1929) was al veertig toen zijn carrière als prentenboekenmaker op stoom kwam. In 1969 verscheen zijn bestseller The Very Hungry Caterpillar, in het Nederlands vertaald als Rupsje Nooitgenoeg. Dit boek werd in 62 talen vertaald en er werden ruim 46 miljoen exemplaren van verkocht. Carle werd een vermogend man. 
    Hoe anders zag zijn leven eruit toen hij in 1952 aankwam in Amerika met een goed gevuld portfolio en veertig dollar op zak. Carle is geboren in Amerika, in Syracuse New York, maar verhuisde met zijn ouders in 1935 naar Duitsland. Hij groeide daar op tijdens de Tweede Wereldoorlog. 
Carle had een hekel aan school, hij vond het saai. Zijn tekentalent werd er wel al vroeg ontdekt en aan zijn ouders werd gevraagd dit talent te koesteren. Dat deden ze graag, al was het maar omdat zijn vader zelf kunstenaar had willen worden. 
    Carle groeide op in een grauwe omgeving waarin kleur ontbrak; uit de steden waren de kleuren vervangen door grijs en bruin (om ze te camoufleren voor bommenwerpers) en ook in de kunst was het kleurgebruik niet spectaculair. Expressionisten en abstracte kunst waren door nazi’s bestempel als ‘entartete kunst’ en verboden. Toen een kunstleraar de jonge Carle heimelijk werk liet zien van Picasso en Matisse was hij geschokt, pas later op de kunstacademie in Stuttgart leerde hij dit werk waarderen. Deze ervaringen hebben veel invloed op Carle gehad en maakte hem tot een kunstenaar die uitsluitend kleurrijk werk maakt en nooit een saai kinderboek wil afleveren. 
    Toen Carle emigreerde naar Amerika vond hij werk in de reclamebusiness. Ook dat heeft zijn werk beïnvloed. Van een reclamemaker wordt verwacht dat hij met een aansprekend en niet al te complex beeld direct een boodschap kan overbrengen. Carle is daar een meester in. Hij kiest er meestal voor zijn onderwerp frontaal of in een zijaanzicht af te beelden, opvallende perspectiefkeuzes maakt hij zelden. Carle werkt met gekleurd papier dat hij over elkaar plakt en soms ook beschilderd. Kleine details brengt hij aan met krijt of inkt. 

In 1967 benadert Bill Martin Jr. Carle met de vraag of hij zijn kinderboek wil illustreren. Het boek spreekt Carle aan, vooral de eenvoud ervan. Samen maken ze Beertje bruin wat zie jij daar? Het wordt een zeer succesvol boek dat nog altijd te koop is. Een jaar later maakt Carle voor het eerst zelf een prentenboek: 1, 2, 3, ik tel de dieren die ik zie. In dit boek zien we al Carle’s handelsmerk: kinderboeken waarvan iets geleerd kan worden, zonder dat dit dwingend is. Over 1,2,3, ik tel de dieren die ik ziezegt Carle in een interview dat hij verwacht dat veel kinderen giraffen en nijlpaarden zullen gaan tellen, maar dat er ook kinderen zullen zijn, ‘de verhalenvertellers van morgen’, die meer oog hebben voor het kleine muisje dat door het boek wandelt; zij zullen zich afvragen wat het muisje te zeggen heeft. 
    Een jaar later maakt Carle zijn meest succesvolle boek: Rupsje Nooitgenoeg. Het ontstond uit een stapel papier waar hij gaatjes in had gemaakt en hij bedacht daar een verhaal bij over een boekenworm. Het boek zou de titel A week with Willie Worm krijgen. Zijn uitgever adviseerde echter het verhaal een andere wending te geven omdat een groene worm als hoofdpersoon de lezer niet zou aanspreken. En zo werd de worm een rups en de rest is geschiedenis. 
    Het verhaal over de rups die zich gedurende een week door van alles en nog wat eet en uiteindelijk een prachtige vlinder wordt laat weer de combinatie zien van een leerrijk verhaal dat ook zonder leerdoelstellingen aantrekkelijk is om (voor) te lezen. Hoewel Carle dit niet bedacht bij het maken van het boek, denkt hij nu dat het enorme succes ook is toe te schrijven aan de onderliggende hoopvolle boodschap: ‘It’s a book of hope. That you, an insignificant, ugly little caterpillar can grow up and eventually unfold your talent, and fly into the world.’ 
    Rupsje Nooitgenoeg werd ook in Nederland een groot succes. De eerste druk verscheen in 1969. Wie boek het vertaalde en van 'The Very Hungry Caterpillar' 'Rupsje Nooitgenoeg' maakte is niet te achterhalen. De uitgever houdt het op ‘de teksten van Carle zijn hier binnen Gottmer vertaald’ en dus zullen we nooit weten wie verantwoordelijk is voor de toevoeging van een nieuw begrip aan de Woordenlijst Nederlandse Taal. 

Carle maakte nog veel meer succesvolle prentenboeken, waaronder Wil jij mijn vriendje zijn (1971), Het lieveheersbeestje dat niet lief deed (1977), De spin die het te druk had (1984), De krekel die niet kon tsjirpen (1990) en Van top tot teen (1997). Ook dit zijn speelse boeken waar de lezer, als hij dat wil, iets van kan leren. Voorbeelden van Carle’s  speelse toevoegingen zijn gaten in de bladzijden, geluideffecten of een lampje.
    Het kinderboekenoeuvre van Carle bestaat inmiddels uit ruim zeventig boeken, waarvan er 145 miljoen wereldwijd werden verkocht. Inmiddels is ‘Mr. Picture writer’ Carle 88 en nog altijd aan het werk. 

Rupsje Nooitgenoeg 
Eric Carle (vertaler onbekend) 


Gottmer, 1969


Kleine Beer - Else Holmelund Minarik

Geplaatst 15 jan. 2018 04:41 door susan *   [ 15 jan. 2018 04:41 bijgewerkt ]


De eerste vijf boekjes over Kleine Beer verschenen tussen 1957 en 1968. In Nederland werden ze vertaald door Heleen Kernkamp-Biegel en uitgegeven door Ploegsma. Lemniscaat brengt de vijf boeken nu opnieuw uit, in een frisse nieuwe vertaling van Jesse Goossens. 
De schrijfster, Else Holmelund Minarik (1920 –2012) werd geboren in Denemarken. Ze verhuisde met haar familie op vierjarige leeftijd naar de Verenigde Staten en werd Amerikaanse. Ze studeerde onder andere psychologie en ging lesgeven aan jonge kinderen. 
Holmelund Minarik was niet tevreden over het aanbod aan leesboeken voor haar leerlingen en kopieerde daarom verhalen die ze had geschreven voor haar dochter die al op jonge leeftijd zelfstandig wilde lezen. In deze verhalen speelt een kleine beer de hoofdrol en hij beleeft kleine avonturen. 
De verhalen slaan aan het Holmelund Minarik besluit een uitgever te zoeken. De eerste uitgever ziet er wel wat in, maar wil dat de schrijfster de beer vervangt voor een kind. Daar voelt Holmelund Minarik niets voor: ‘ I thought to myself, all children of all colours would be reading the stories. All children love animals. The bear is fine.’ Er werd een andere uitgever gevonden en deze huurde Maurice Sendak in voor de illustraties. Sendak tekende het beertje in zijn kenmerkende stijl die zes jaar later wereldwijd bekend zou worden na het verschijnen van zijn meest succesvolle boek Where the wild things are (vertaald als Max en de Maximonsters). 

De avonturen van Kleine Beer zijn niet spectaculair en blijven dicht bij de belevingswereld van jonge kinderen. Zo is er de spanning van een aanstaande verjaardag of een beschrijving van een bezoek aan opa en oma. Kleine Beer speelt ook graag en gebruikt daarbij volop zijn fantasie: hij vliegt met een zelfgemaakte ruimtehelm naar de maan en hoopt dat zijn vader een zeemeermin meeneemt als deze terugkeert van een reis. Holmelund Minarik maakt in haar verhalen een mooie mix tussen realiteit en fantasie. 
De wereld van Kleine Beer is warm en veilig. Het beertje trekt erop uit, maar hij komt altijd weer in de armen van zijn moeder terug. De rolverdeling tussen mannen en vrouwen in de verhalen is traditioneel, Kleine Beer heeft vooral te maken met zijn moeder en af en komt vader beer in beeld. 
De tekst is geschikt voor beginnende lezers; de zinnen zijn niet lang en er worden geen moeilijke woorden gebruikt. Ook zijn er vaak herhalingen in de tekst verwerkt en dat helpt om het goed te kunnen volgen. Holmelund Minarik gebruikt wel hier en daar wat moeilijkere verteltechnieken, zoals een verhaal binnen een verhaal. 

De illustraties van Sendak zijn een belangrijke aanvulling en waarschijnlijk de reden dat deze serie wereldwijd zo geliefd is. Kleine Beer loopt meestal zonder kleren door de verhalen, dit in tegenstelling tot de volwassen beren die ouderwets gekleed gaan. De gezichtsuitdrukkingen zijn niet heel uitgesproken en laten zo ruimte voor de lezers zelf in te vullen wat Kleine Beer denkt en voelt. 
De interieurs en achtergronden zijn aangezet in lichte kleuren en dat benadrukt de warme veilige omgeving die Kleine Beer omringt. In de loop van de serie wordt Kleine Beer wat groter en ook de volwassen beren worden ouder. 
Sendak brengt niet alleen de wereld van Kleine Beer in beeld, hij heeft ook de tekst sierlijk omlijst. Het geeft de boeken een fraaie en nostalgische uitstraling. 

De veilige ouderwetse wereld waarin Kleine Beer zijn avonturen beleeft en die zo mooi wordt weergeven door Sendak is ook na ruim vijftig jaar nog een prettige plaats om naar toe te gaan. 

De serie bestaat uit vijf boeken: 
Kleine Beer 
Papa Beer komt thuis 
Kleine Beer heeft een vriendje 
Kleine Beer gaat op bezoek 
Een kusje voor Kleine Beer 


Else Holmelund Minarik (tekst, vertaald door Jesse Goossens) met illustraties van Maurice Sendak 
Lemniscaat, 2017     € 11,50 per deel

Pippeloentje en Dikkertje Dap - Annie M.G. Schmidt

Geplaatst 30 okt. 2017 05:53 door susan *   [ 30 okt. 2017 05:53 bijgewerkt ]


      


Het is een sterk concept om het werk van Annie M.G.Schmidt levend te houden: hedendaagse illustratoren vragen om bekend werk van de geliefde schrijfster van nieuwe illustraties te voorzien. Zo mocht Fleur van der Weel aan de slag met de versjes over ‘t beertje Pippeloentje en voorzag Noëlle Smit het bekende versje Dikkertje Dap van nieuwe illustraties. Beide dames hadden overigens al eerder tekeningen bij deze bekende versjes gemaakt, maar sloegen voor deze opdracht nieuwe wegen in. 
Het eerste versje over beertje Pippeloentje verscheen in 1950 voor het eerst in boekvorm in de bundel Het fluitketeltje, een verzameling versjes die eerder in Het Parool waren gepubliceerd. Ook Dikkertje Dap maakt in dit boek voor het eerst zijn opwachting. Over ’t beertje Pippeloentje schreef Schmidt uiteindelijk twaalf versjes die in 1958 voor het eerst werden gebundeld. Het beertje, altijd direct te herkennen aan zijn pet, beleeft in de versjes spannende berenavonturen die dicht bij de belevingswereld van de jonge lezers blijven. Pippeloentje maakt bijvoorbeeld een verre reis (al dan niet in zijn verbeelding), hij is jarig en geeft een feestje, hij verstopt zich voor zijn ouders, hij gaat in bad en hij is ondeugend. De versjes kennen onvergetelijke regels waarin Annie Schmidt woorden alsplantsoentje, paviljoentje en juttepeertjes aan de taalschat van de kleuters toevoegt. 
Wim Bijmoer was de eerste die Pippeloentje tekende, eerst in zwart-wit, later in kleur. Het is een stoere beer met een grote pet op zijn hoofd. In de jaren tachtig werden de versjes opnieuw gebundeld en geïllustreerd door de toen nog onbekende Jan Jutte. Zijn Pippeloentje is een rond en schattig beertje. Zowel Bijmoer als Jutte volgden de tekst van Schmidt nauwkeurig en voegden er weinig aan toe. Anders is dat in de volgende uitgave die Harrie Geelen illustreerde. In zijn kenmerkende kleurige vrije stijl maakte hij meerdere tekeningen die een interpretatie van de versjes laten zien. Bij Geelen is ‘de boot naar Engeland’ een omgekeerde tafel en als het beertje ‘weg is’ kan de lezer zien dat Pippeloentje een spelletje met zijn ouders speelt. 
Fleur van der Weel heeft een andere keuze gemaakt. Haar tekeningen laten een jaar uit het leven van Pippeloentje en zijn ouders zien; van een zwangere berenmama tot het eerste verjaardagsfeestje, van voorjaar tot winter. De beren die Van der Weel tekent zijn verrassend schattig. In haar eerdere werk koos ze vaak voor heldere kleuren en hoekige personages, maar nu zien we zachte in elkaar overlopende kleuren en toegankelijke warme tekeningen.
De illustraties spelen slechts summier in op de tekst. Zo heeft Pippeloentje een mutsje op en zeker geen pet, zien we nergens een paviljoentje en ‘de kleine beertjes’ die regelmatig in de versjes hun opwachting maken zien we ook niet. In dit prentenboek draait het niet zozeer om de tekst van Schmidt, het zijn de innemende tekeningen die de hoofdrol opeisen. 

Ook Dikkertje Dap werd door Wim Bijmoer als eerste getekend. Hij schiep het iconische beeld van het jongetje Dikkertje op de ladder bij de giraf. Ook Dikkertje Dap werd door meerdere bekende illustratoren geportretteerd, waaronder Harrie Geelen en Fiep Westendorp. 
Noëlle Smit liet haar interpretatie van zowel Pippeloentje als Dikkertje Dap al in 2012 zien in de bundel Ik sta Paf! (Querido, 2012). Voor het nieuwe boek creëerde ze een andere Dikkertje: het donkerharige ventje met een rood hoedje op werd een blond mannetje met een pet. 
Waar Fleur van der Weel volop gelegenheid had in te spelen op de tekst, moet Noëlle Smit het met minder doen want zij heeft slechts één versje tot haar beschikking. Toch weet ze het prentenboek te vullen door de Amsterdamse dierentuin Artis en zijn bewoners een prominente rol te geven. We zien bijvoorbeeld al voor het versje begint Dikkertje met zijn ladder langs de flamingo’s en de bekende apenrots lopen. Als  Dikkertje in gesprek gaat met de giraf vult Smit zijn woorden aan. Zo kan de lezer zien dat Dikkertjes rode laarsjes niet alleen handig zijn voor de regen, deelt het jongetje de letters die hij al kent met de zeeleeuwen en ook Dikkertjes tekenkunsten worden getoond. Natuurlijk zijn er ook talrijke tekeningen waarop Dikkertje en de giraf centraal staan. Smit weet daarbij op allerlei verschillende manieren het verschil in grootte weer te geven. Ze speelt met perspectief en compositie en werkt met een kleurig palet. Dat resulteert in een aantrekkelijk en vrolijk prentenboek. 

In de nieuwe uitgaven van Pippeloentje en Dikkertje Dap geven Fleur van der Weel en Noëlle Smit hun beelden bij de vertrouwde versjes van Annie M.G.Schmidt. Beide dames creëerden een fijne wereld om in onder te duiken. Bij Pippeloentje is die wereld warm en geborgen, bij Dikkertje Dap vrolijk en kleurrijk. 

Pippeloentje 
Annie M.G. Schmidt (tekst) en Fleur van der Weel (illustraties) 

Querido, 2017     € 17,50 

Dikkertje Dap 
Annie M.G. Schmidt (tekst) en Noëlle Smit (illustraties) 
Querido, 2017     € 9,99

Levende bezems - Lisa Tetzner

Geplaatst 6 mrt. 2017 04:35 door susan *   [ 14 jan. 2018 15:00 bijgewerkt ]


Lisa Tetzner werd in Duitsland geboren en trok in haar jonge jaren als sprookjesverteller door het land. In 1924 trouwde ze met Kurt Kläber, publicist, uitgever en lid van de communistische partij. In 1933 ontvluchtten Tetzner en haar man Nazi-Duitsland, nadat Kläber beschuldigd was van betrokkenheid bij de Rijksdagbrand. Het echtpaar kreeg asiel in Zwitserland. 
Tetzner schreef Levende bezems in 1940/41 en waarschijnlijk heeft haar man meegeschreven. Omdat hij als politiek vluchteling niet mocht publiceren ontbreekt zijn naam op de titelpagina. Later publiceerde Kläber onder het pseudoniem Kurt Held zelf een jeugdboek, De bende van rode Zora, dat helaas niet meer in druk is. Levende bezems gelukkig wel. Dit jaar komt de elfde druk uit, een herdruk van de uitgave uit 2003. 

Het verhaal speelt zich af in de negentiende eeuw in de grensstreek tussen Zwitserland en Italië. De dertienjarige Giorgio wordt door zijn vader verkocht aan de man met het litteken. Hij doet dit met een bezwaard hart want hij kent de verhalen over het lot van de verkochte jongens. De jongens worden doorverkocht in Milaan aan de schoorsteenvegers die magere jongens nodig hebben om door de schoorstenen kruipen. Het is gevaarlijk en ongezond werk. Maar Giogio’s vader heeft geen keus, het noodlot heeft toegeslagen, het geld en eten is op en zijn vrouw is ziek. 
Giorgio vertrekt en onderweg komt hij een lotgenoot tegen, Alfredo. De jongens worden vrienden en doen een vriendschapsbelofte: ze zullen als broers over elkaar waken en ‘goed en bloed’ met elkaar delen. De verdere reis naar Milaan verloopt dramatisch, er komen zestien jongens om. Giorgio en Alfredo halen het wel en worden doorverkocht. Giorgio komt terecht bij meneer Rossi, geen onaardige man. Maar zijn vrouw en zoon pakken de jongen flink aan. Het werk is zwaar en Giorgio krijgt weinig te eten. Hij vindt troost bij de zieke dochter van zijn baas die altijd vriendelijk is en hem extra eten geeft. 
In Milaan zoekt Giorgio Alfredo weer op. Zijn vriend introduceert hem bij de Bond van de Zwartgezichten, een geheime bond van schoorsteenvegertjes die elkaar helpen. Het leven van Giorgio is zwaar, maar hij houdt vol. Tot hij van diefstal wordt beschuldigd, dan besluit Giorgio met een aantal vrienden te vluchten. 

Tetzner schreef, naast bewerkingen van sprookjes, vooral jeugdboeken over sociale kwesties, waaronder de serie De kinderen van nummer 67 waarin een groep kinderen gevolgd wordt die opgroeien in Nazi-Duitsland. De inspiratie voor Levende bezems vond Tetzner in historische bronnen. Ze schetst in het verhaal de bittere armoede op het platteland en in de stad. De schoorsteenvegers waar de jongens voor werken zijn ook niet erg rijk en er is vaak sprake van alcoholmisbruik. Veel mensen kijken weg als ze geconfronteerd worden met de armoedige uitgebuite schoorsteenvegertjes, ze geven hooguit een extra boterham. 
Tetzner beschrijft niet alleen het harde leven van de verkochte jongens, ze laat ook zien hoe de jongens zich daartegen te weer kunnen stellen. Door zich te verenigen worden ze sterker en kunnen ze zelfs een begrafenis regelen als een van hen overlijdt. Overigens ontmoet Giorgio niet alleen slechte volwassenen, er zijn ook helpers. 
Levende bezems is geschreven als een maatschappelijk aanklacht, maar dat staat een spannend verhaal niet in de weg. Giorgio is een sympathieke hoofdfiguur waarmee de lezer zich makkelijk identificeert. Hij probeert er het beste van te maken, hij is eerlijk, maar geen heilige. Tetzner beschrijft veel erbarmelijke situaties, maar als alles hopeloos lijkt komt er net op tijd hulp en uiteindelijk wordt Giorgio recht gedaan. 

Levende bezems is een spannend verhaal over armoede, misbruik, solidariteit en vriendschap. Nog altijd een boek om in een adem uit te lezen. 

Levende bezems 
Lisa Tetzner (vertaald door Annie Winkler-Vonk en bewerkt door Suzanne Braam) met illustraties van Annet Schaap 

Ploegsma, elfde druk 2017     € 19,99

Willem en Dikke Teun - Jacques Vriens

Geplaatst 30 nov. 2016 02:23 door susan *   [ 30 nov. 2016 02:23 bijgewerkt ]


Willem is vijf jaar en niet zo´n held. Gelukkig heeft hij Dikke Teun, een grote dikke rode kater die kan praten. Dikke Teun is een kat met karakter. Hij praat alleen als hij er zin in heeft en hij praat alleen met Willem, verder mag niemand weten van zijn bijzondere gave. Willem moet beloven het geheim goed te bewaren en dat is soms best moeilijk.
Dikke Teun helpt Willem met dingen die hij niet zo goed durft: hij loopt mee naar de winkel als Willem alleen een boodschap moet doen, hij helpt Willem als hij met grote jongens verstoppertje gaat spelen en Dikke Teun grijpt in als ´stomme Frankje´ Willems trein afpakt. Ondertussen blijft hij ook een heel gewone kat die trek heeft in een verse kikker en achter de poezen aangaat. 

De verhalen over Willem en Dikke Teun verschenen oorspronkelijk in het kleuterblad Bobo en werden in 1985 voor het eerst in boekvorm uitgegeven. Inmiddels is het boek aan de tiende druk toe. Het verhaal van Willem en zijn kat is tijdloos. Dat komt omdat het zo goed aansluit bij de belevingswereld van kleuters. De hobbels die Willem in zijn kleuterleven moet nemen zullen herkenbaar zijn. Zo vinden veel kinderen het eng om alleen een boodschap te doen (zeker als er ook nog iemand voordringt) of even alleen thuis te zijn. De nuchtere Dikke Teun leert Willem bijna ongemerkt om minder bang en verlegen te zijn. 
Ook het taalgebruik sluit aan bij de kleuterleeftijd. De zinnen zijn kort met veel dialoog; heerlijk om voor te lezen. Vriens verwerkt ook grapjes in het verhaal die leuk zijn voor kleuters, zoals het vermeende uitschelden van een dikke onaardige vrouw voor ´Dikke Teun´. Het verhaal is overzichtelijke opgedeeld in afgeronde hoofdstukken. De kleurige illustraties van Alex de Wolf maken het geheel af. Ze ondersteunen de tekst en geven de emoties goed weer, zowel van de kat als van Willem.

Willem en Dikke Teun is een heerlijk boek om voor te lezen en mag in geen enkele kleuterboekenkast ontbreken. 

Willem en Dikke Teun
Jacques Vriens (tekst) en Alex de Wolf (illustraties)


Van Holkema & Warendorf, 2016      € 12,99

Anne van het Groene Huis - L.M.Montgomery

Geplaatst 28 sep. 2016 03:39 door susan *   [ 28 sep. 2016 03:39 bijgewerkt ]


Anne van het Groene Huis (Anne of Green Gables) kunnen we met recht een klassieker noemen. Het boek van de Canadese schrijfster L.M. (Lucy Maud) Montgomery (1874-1942) verscheen in 1908 en werd direct een bestseller. Ook de rest van de wereld viel massaal voor de spontane fantasierijke Anne Shirley. Er verschenen vertalingen en het boek werd meerdere keren verfilmd, de meest recente verfilming was dit jaar. 
Anne van het Groene Huis verscheen in verschillende edities ook in Nederland. Diverse vertalers bewerkte de tekst, die vaak wat eenvoudiger werd gemaakt om het boek meer toegankelijk te maken voor kinderen. Het boek is namelijk niet als kinderboek geschreven. De lezer volgt het wel en wee van de opgroeiende Anne, maar ook de gedachten en zorgen van 
Anne´s pleegouders worden besproken. 
Wie wil kan het leven van Anne (en haar kinderen) blijven volgen, want Montgomery (en andere) schreven diverse vervolgdelen. Ter gelegenheid van het honderdjarig jubileum van Anne of Green Gables verscheen in 2008 de voorlopig laatste toevoeging aan de serie: Anne Before Green Gables (geschreven door Budge Wilson). 

Het verhaal begint bij Matthew en Marilla, broer en zus van middelbare leeftijd, die besluiten een weesjongen in huis te nemen die kan helpen met het werk op de boerderij. Er wordt echter een vergissing gemaakt en een meisje gestuurd. De stille wereldvreemde Matthew valt direct voor de hartstochtelijke roodharige Anne. Hij geniet van haar fantasie en bloemrijke commentaar op haar omgeving. Marilla moet daar niet veel van hebben. Zij wordt omschreven als een vrouw met beperkte kennis en eens streng geweten, maar rond haar mond speelt iets wat met een beetje aanmoediging op een heus gevoel voor humor zou kunnen wijzen. Die aanmoediging komt in de vorm van Anne. 
Het meisje mag blijven en Marilla neemt de opvoeding voor haar rekening. Anne moet leren bidden, naar (zondag)school en zich netjes gedragen. De levendige Anne doet haar best, maar ze kan haar mond niet houden als ze beledigd wordt, ze weigert nog naar school te gaan als ze ten onrechte straf krijgt en Gilbert Blythe moet voor eeuwig boeten omdat hij haar gepest heeft met haar zwakste punt: haar rode haar. Anne komt regelmatig, vaak onbedoeld, in de problemen en de meeste problemen worden ook weer opgelost. Behalve als de man met de zeis zich meldt, daar kan zelfs Anne niet tegenop. 

Het verhaal wordt gedragen door aansprekende personages. De gevoelige fantasierijke eerlijke Anne die haar hart op de tong heeft is een fijne hoofdpersoon. Haar positieve kijk op de wereld maakt vrolijk. Marilla probeert Anne´s fantasie te beteugelen, maar dat is onbegonnen werk. Het verhaal had makkelijk kunnen ontaarden in een strijd tussen Anne en Marilla, maar dat is niet het geval. Marilla is te nuchter om Anne´s fantasie te kunnen begrijpen, maar zij waardeert Anne´s eerlijkheid en respecteert haar eigenheid. Ook als het niet benoemd wordt voelt de lezer dat die twee elkaar graag mogen. 
Ook Matthew is een personage om van te houden. Anne kan in zijn ogen geen kwaad doen en hij grijpt op zijn eigen wijze in als dat nodig is. Dat levert onder andere het vermakelijke probleem op hoe deze stugge verlegen man aan een feestjurk voor Anne moet komen. 
Uitgeverij Karmijn heeft het boek opnieuw laten vertalen en dat was hard nodig. De laatste vertaling uit de jaren zeventig is slordig en laat dingen weg, er is zelfs een heel hoofdstuk geschrapt. De nieuwe vertaling van Hannie Tijman geeft ruim baan aan de schoonheid van Montgomery´s taal. Het zijn vaak kleine zinswendingen, of de woordkeuze die het boek zijn charme geven, zoals de opmerking dat Marilla zelfs het zonlicht wantrouwt dat naar haar smaak te veel danst en zich onverantwoordelijk gedraagt in een ernstige wereld. Of Anne die bij het zien van haar nieuwe jurken beheerst opmerkt ´Ik probeer me te verbeelden dat ik ze leuk 
vind.´ De gevoelige Anne is verrukt over de prachtige omgeving waarin ze terecht is gekomen. Deze omgeving, het Canadese Prince Edward Island, wordt hier en daar door Montgomery uitgebreid beschreven. 
Voor de kinderen van nu is het misschien moeilijk om zich voor te stellen dat Anne´s eerlijkheid aan het begin van de twintigste eeuw bijzonder was en misschien zullen zij daarom minder plezier beleven aan Anne´s rake observaties en haar koppige standvastigheid. Maar toch denk ik dat de hartstochtelijke, eerlijke en fantasievolle Anne er weinig moeite mee zal hebben een nieuwe schare lezers te charmeren. Anne van het Groene Huis is nog altijd een boek om jezelf in te verliezen en voor even de eenentwintigste eeuw te vergeten. 

Anne van het Groene Huis 
L.M. Montgomery (vertaald door Hannie Tijman) 

Karmijn, 2016     € 19,95

De scheepsjongens van Bontekoe - Johan Fabricius

Geplaatst 29 mei 2016 03:59 door susan *   [ 29 mei 2016 03:59 bijgewerkt ]


´Satansche jongen, hou die bout vast´ is de oorspronkelijke eerste zin van het klassieke kinderboek De scheepsjongens van Bontekoe. Het werd in 1924 voor het eerst uitgegeven en is het bekendste boek van Johan Fabricius (1899-1981) die meer dan honderd boeken schreef. 
In 2007 werd het verfilmd. Het filmverhaal wijkt op een aantal punten sterk af van het boek. Zo overleeft koksmaat Harmen, die in de film een veertiger is in plaats van een jongen van negentien, in tegenstelling tot het boek de reis niet. 
In 2007 werd het boek hertaald door Suzanne Braam. Ze blijft dicht bij de originele tekst en laat bijvoorbeeld een van de scheepsjongens nog altijd ´grote genade´ roepen. Maar andere ouderwetse woorden werden wel vervangen: janmaat wordt matroos en zwartjes worden mensen. De woorden nikkers en wilden werden geschrapt. De eerste zin van boek luidt nu:´Duivelse jongen hou die bout vast!´

Het verhaal is deels gebaseerd op het scheepsjournaal van schipper Bontekoe uit 1646. In het eerste deel van het boek volgt Fabricius het scheepsjournaal vrij nauwgezet tot aan de fatale brand veroorzaakt door de ‘botteliers-maet, genaemt Keelemeyn’. Het tweede deel van het verhaal, de tocht door de binnenlanden van Sumatra verzon Fabricius grotendeels zelf. 

Drie jongens uit Hoorn, Rolf Romeyn, Peter Hajo en Padde Kelemeijn, varen mee met schipper Bontekoe. Padde tegen wil en dank, want hij viel in slaap toen het schip uitvoer. De jongens moeten zich staande houden op het schip waar de ´omes´, de oudere bemanning, ze graag in de maling nemen. Maar ze maken ook vrienden, de negentienjarige Harmen bijvoorbeeld.
Door toedoen van Padde ontstaat er brand op het schip en komt een groot deel van de bemanning om. Met een jol bereiken ongeveer zeventig mensen de kust. Rolf, Hajo, Harmen en Padde komen in de jungle terecht en moeten op eigen houtje Bantam zien te bereiken. 

Fabricius deed geen research en zijn beschrijvingen zijn dan ook niet helemaal historisch verantwoord. Zo waren er op een zeventiende eeuwse Oost-Indiëvaarder geen koffiemolens, reddingsboeien of bemanningsverblijven met lange tafels. 
Het koste Fabricius moeite het boek uitgegeven te krijgen, mede omdat hij een hoge gage vroeg: voor vijfduizend gulden was hij bereid de auteursrechten te verkopen aan uitgeverij Leopold. Toenmalig directeur Van Oss vond dit veel te duur en zag van uitgave af. Toen het Fabricius niet lukte een andere uitgever te vinden werden de heren het alsnog eens: Fabricius kreeg duizend gulden plus royalty’s. Uiteindelijk was dit voor Fabricius de betere deal.

De scheepsjongens van Bontekoe is nog altijd een avontuurlijk en mooi (voorlees)verhaal. Het is spannend (meermaals komt het leven van de hoofdpersonen in gevaar), het is grappig (de onhandige Padde zorgt voor menig grappige scène) en het is sfeervol met zijn prachtige beschrijvingen van de omgeving. 

De scheepsjongens van Bontekoe
Johan Fabricius (hertaald door Suzanne Braam) en Dick de Wilde (illustraties) 


Leopold, 2016 (34e druk)     € 22,50


De Artapappa´s - J.B.Schuil

Geplaatst 23 apr. 2016 03:15 door susan *   [ 23 apr. 2016 03:15 bijgewerkt ]


Jouke Broer Schuil (1875- 1960) schreef zes ´jongensboeken´ die op velen grote indruk hebben gemaakt. Zijn boeken werden vaak herdrukt en toen hier de klad in kwam werden op boekenmarkten flinke prijzen gevraagd voor tweedehands exemplaren van  De Katjangs, Jan van Beek en Rob en de stroper. Uitgeverij Gianni heeft in 2005 de draad weer opgepakt en inmiddels twee titels van Schuil opnieuw uitgegeven, De AFC-ers en De Artapappa´s.
Wie de tweedehands uitgaven bekijkt krijgt een mooi beeld van de verschillende tijdsperioden waarin de boeken werden uitgegeven. Zo staan er in mijn boekenkast vier uitgaven van De Katjangs. In het oudste exemplaar hebben de twee hoofdpersonen een ´drollenvanger´ aan, de uitgave daarna een korte broek, vervolgens staan ze met een lange broek afgebeeld en in de laatste uitgave, uit de jaren zeventig, met een spijkerbroek. Deze kaften doen niet vermoeden dat aan de inhoud weinig veranderde. Toch is dat het geval. Ook in deze jongste uitgave van Schuils werk is zeer terughoudend met tekstveranderingen omgesprongen. De spelling werd aangepast naar de regels van deze tijd en heel ouderwetse woorden werden vervangen. Bij een heruitgave van De Artapappa´s is dat een gewaagde keuze want de wijze waarop de hoofdpersonen, twee Afrikaanse jongens, worden neergezet vinden we volgens hedendaagse normen clichématig en misschien zelfs racistisch.

Schuil opent De Artapappa´s met een voorwoord waarin hij aangeeft dat de Artapappa´s echt hebben bestaan en dat de schrijver het verhaal hoorde ´op Borneo van Pukkie´ die hem het verhaal met een trilling in zijn stem vertelde, Pukkie ´die nooit een beter en trouwer vriend dan deze kafferjongen had gehad´.
´Deze kafferjongen
´ is een van de twee Afrikaanse prinsen die naar Nederland gestuurd worden en in een kosthuis terecht komen waar nog drie jongens wonen. Het zijn jongens van gegoede huizen die de HBS bezoeken en bekend staan onder de bijnamen Spekkie (de domste), de Lijn (de luiste) en Pukkie (de brutaalste). De jongste prins, Paul, maakt makkelijk contact en vindt al snel aansluiting bij de andere jongens, de oudere prins Bloemhof is veel terughoudender, maar sluit uiteindelijk vriendschap met Pukkie. Bloemhof gaat voor Puk door het vuur.
De jongens beleven jongensavonturen: ze halen kattenkwaad uit, worden een beetje verliefd, slaan zich door een echt bal waar echte meisjes zijn en maken tussen de bedrijven door hun huiswerk in ´de voskamer´. Groot is de ontsteltenis als de prinsen plotseling terug naar huis moeten. Blijmoedige Paul zet zich snel over de pijn van het naderende afscheid heen, maar het hart van Bloemhof is gebroken, hij overlijdt op de boot terug naar Afrika.

Het is onmiskenbaar dat Schuil een goede verteller is. Hij maakt de verhalen spannend, sluit aan bij de belevingswereld van jongens met zijn beschrijvingen van kwajongensstreken en de manier waarop de jongens met elkaar omgaan. Het taalgebruik is gedateerd, naar onze huidige maatstaven zijn de zinnen te lang en woorden als ´gymnastiekonderwijzer´, ´kafferjongens´, ´houtvester´ en ´allemachies´ zijn niet gebruikelijk. Ook het kromme praten van de 
Artapappa´s, ´maar die katapult van mijn en niet van dat majoor´, zou in een hedendaags kinderboek niet meer getolereerd worden. De aantrekkelijkheid van Schuils boeken voor een nieuwe generatie is beperkt, de nieuwe uitgave is voor liefhebbers die graag een stapje terug in de tijd doen.

Over hoe het nu precies zit met het waarheidsgehalte van Schuils uitspraak dat het verhaal op waarheid berust is veel te zeggen. Het staat vast dat twee Afrikaanse prinsen in Nederland hebben gewoond. De uitgever is op zoek gegaan naar Puk. Meer over de zoektocht en andere achtergrondinformatie is te vinden op deze site.

De Artapappa´s
J.B.Schuil (tekst) en Rein van Looy (ill)
 
Gianni, 2005     € 12,50

1-10 of 48